Mens zijn

Dat wij geloven, getuigt dat wij mensen zijn.
Niemand loochent de zwaartekracht omdat zij onzichtbaar is.
Niemand loochent het bestaan van zijn eigen geest omdat deze nergens in zijn hersenen te vinden is.
“Ik geloof slechts wat ik zie”, is dronkenmanspraat.
Ongelovigen zijn er slechts in naam.
• Ik geloof in God …
• Ik geloof in de natuur …
Tussen deze twee geloofsbelijdenissen maakt ieder zijn keuze, daar gaan de levenswegen uiteen.
Wie geen geloof hecht aan het zinvolle, gelooft het zinloze. Geloof behoort tot het wezen van onze menselijke natuur. Wat wij ongeloof noemen, is een giftige woekerplant die overal welig tiert, vooral in de sfeer van eigen wijsheid.
Zij tast hart en hersenen aan en doet de mens stompzinnig “neen!” zeggen tot zijn Verlosser.
Dat is de vreselijke mogelijkheid waartoe elk mens bekwaam is:
de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
Romeinen 1:18
Het ongeloof vloeit meestal voort uit het feit dat de mens heilige grond wil betreden met zware modderschoenen aan, ook heeft hij weinig verlangen naar “een Rechter achter de schermen.”
De vogel zoekt de lucht, de vis het water, de mens de gevangenis van
eigen perspectieven. Daar worden de edelste zaden tevergeefs geworpen.
Daar heerst de nacht, die hij meer liefheeft dan het licht.
Johannes 3:19
Maar hij kan zich evenmin aan God ontwringen als de sterren aan de hemel.
De mens is het meest redelijke en meest dwaze van alle dieren.
Diogenes
Wie de zon verstoot, verstoot het leven. Wie omhoog spuwt, krijgt het weer op zijn gezicht.

Het materialisme stelt niet alleen onzinnige theorieën samen waarin dode stof krabben en kreeften en mensen schept, maar het maakt het leven tot één grote onzin. De mens is slechts mens in Gods tegenwoordigheid, daar buiten is hij een bedrogene, die voor eigen grootheid knielt. Wie God opgeeft, heeft zijn eigen wezen opgegeven, hij wordt de “onrustige” die zichzelf niet meer vertrouwt en zich vastklampt aan alles wat de tijd zonder genade vernietigt. Zijn leven wordt tot een absurd avontuur, gewijd aan de cultus van de schim. Alleen onze eeuwige bestemming geeft het leven zijn waarde en
voldoet aan onze diepste verlangens.
Toen Paulus op de heuvel van Mars de intellectuelen van Athene de hun onbekende God wilde bekend maken, lachten de uit hun slaap opgeschrikte wijsgeren; het was de groene lach van het ongeloof, de domme lach … het eeuwig verzet van de wijsheid van deze wereld.
De Bijbelse visie was voor het Griekse denken een dwaasheid, zoals heden voor het moderne denken dat zich in schuldige onwetendheid van zijn Schepper heeft afgewend en aldus zijn weg op aarde verdorven heeft.
Maar wanneer de stormen woeden en de sluizen der ontzetting opengaan, dan droomt de ongelovige vol angst van Hem die boven de oermachten troont...
Een kind komt ter wereld.
Zijn eerste levensdaad is gebaseerd op het feit dat wij een zinvolle wereld betreden waar alles op elkaar is aangepast. Zijn eerste ademhaling getuigt al van een instinctief vertrouwen, dat de ons omringende lucht in de juiste verhouding de gepaste elementen bevat die het lichaam nodig heeft. Wanneer het kind begint te onderscheiden, gebruikt het zijn oogjes in een onbewust geloof dat zij niet bedriegen, maar aangepast zijn op hun omgeving.
Naarmate het denken in het kinderkopje begint door te dringen, weerklinkt ook het “waarom?” waarin het ingeboren bewustzijn ligt opgesloten dat er zin en reden ligt in al het bestaande. En naarmate wij opgroeien, wordt het door ons verstand onderscheiden.
Ons denken helpt ons bij het leven wekken van het geloof, door hindernissen weg te nemen en bewijsgronden aan te voeren die een geschikte bodem vormen voor zijn ontplooiing. Het dankt zijn ontstaan niet aan de kracht van wetenschappelijke argumenten, het wortelt veel dieper. Zoals bij het licht een oog noodzakelijk is, bij het geluid een oor, zo bezitten wij de geloofseigenschap,
- een inwendig kenprincipe, - een ontvankelijkheid voor de Godsopenbaring.