Manipulatie

ManipulatieManipulatie / televisie en media

Veel mensen zijn zich niet bewust op welke manier de reclamespots en de TV de geest beïnvloeden. De technische mogelijkheden om snel van scene te veranderen, met ver gevorderde lenstechnieken en krachtige filmmuziek die ontworpen is om je mee te sleuren voor je de tijd hebt gehad om na te denken. Bedenk eens wat er gebeurt als de TV-spots geëindigd zijn en je favoriete programma hervat. Veel van de manipulatietechnieken blijven. Als de camera zich instelt en de tonelen wisselen, moet je je aanpassen aan een nieuw beeld en dat ongeveer twintig keer per minuut. 

Dit alles verhoogt natuurlijk de dramatiek, zodat de handelingen op het scherm – zelfs bij de gewoonste gebeurtenissen – overkomen op een wijze die in het dagelijks leven niet bestaat.  Dit gekoppeld aan het feit dat de castings-bureau’s een keuze kunnen maken uit de interessantste en knapste mensen ter wereld. Het resultaat ? Na dit zo drie of vier uur te hebben aanschouwd, komt je eigen leven je misschien niet meer zo interessant voor als voordien. Je huis, je baan, mogelijk ook je echtgenoot, kunnen niet wedijveren met die kunstmatig opgeroepen intensiteit van de televisie. Tenzij je een ongewoon sterk gevoel hebt van je eigen identiteit, word je misschien ontevreden met je eigen leven en wens je dat je zo kon zijn als de acteurs op het scherm. 

Zodoende heeft televisie het vermogen je te ontdoen van iets wat God speciaal voor jou heeft gemaakt : jouw eigen unieke identiteit. 

Daarom is het belangrijk dat mensen een standpunt innemen t.o.v. amusement. Afgezien van het feit dat Hollywood veel van je tijd kan kosten, en je blootstelt aan bedenkelijke tonelen, is er misschien nog iets dat dieper gaat en waarover je bezorgd moet zijn. De meeste films die je een denkbeeldige, meer dan levensechte held voortoveren, kunnen uiteindelijk een aanval doen op je inzicht hoe bijzonder je eigen leven wel is. 

uit : “ΩMEGA 2” Lewis R. Walton

 

 

Alles kan veranderen

DENK HIER EENS AAN

• In het memo dat werd opgesteld toen Fred Astaire in 1933 bij MGM auditie had gedaan, staat :  ‘Kan niet acteren.  Een beetje kalend.  Kan een beetje dansen.’  Fred Astaire heeft het memo ingelijst en naast zijn open haard in zijn huis in Beverly Hills opgehangen.

• Socrates werd verweten dat hij de jeugd verpestte.

• Toen Peter J. Daniel in de vierde klas van de lagere school zat zei zijn onderwijzeres, mevrouw Phillips, altijd dat het nooit wat zou worden met hem.  Peter was analfabeet tot zijn zesentwintigste.  Toen las een vriend van hem een boekje voor over hoe je rijk moet worden.  Nu is hij eigenaar van de bars waarin hij vroeger in vechtpartijen verwikkeld raakte en heeft hij weer een nieuw boek geschreven, met de titel Mrs. Phillips, You Were Wrong.

• Louisa May Alcott, de schrijfster van Onder moeders vleugels moest van haar ouders werk zoeken als dienstbode of naaister.

• Beethoven speelde beroerd viool en werkte liever aan zijn eigen composities dan dat hij zijn techniek verbeterde.  Zijn leraar zei dat hij een slecht componist was.

• De ouders van de beroemde operazanger Enrico Caruso wilden dat hij ingenieur zou worden.  Zijn leraren zeiden dat hij geen mooie stem had en absoluut niet kon zingen.

• Walt Disney is ooit ontslagen door de hoofdredacteur van een krant omdat hij te weinig ideeën had.  Hij ging ook verscheidene keren failliet voordat hij met Disneyland begon.

• Thomas Edisons onderwijzeressen zeiden dat hij overal te stom voor was.

• Albert Einstein leerde pas praten toen hij vier was en kon pas lezen op zijn zevende.  Zijn onderwijzeres vonden hem ‘geestelijk lui, onaangepast en altijd in een rare droomwereld verzonken’.  Ook is hem de toegang geweigerd tot de Technische Hogeschool van Zürich.

• Louis Pasteur was op de universiteit maar een middelmatige student.

• Isaac Newton was een uitgesproken slechte student.

• De vader van beeldhouwer Rodin heeft eens gezegd :  ‘Mijn zoon is een idioot.’  Hij gold als de slechtste leerling op school en zakte drie keer voor het toelatingsexamen voor de kunstacademie.  Volgens zijn oom kon hij niet leren.

• Leo Tolstoi, de schrijver van Oorlog en vrede, heeft zijn studie afgebroken.  Van hem werd gezegd dat hij niet kon leren en er ook niet voor gemotiveerd was.

• Henry Ford ging drie keer failliet voordat hij uiteindelijk succes had.

•`Winston Churchill bleef zitten in de zesde klas.  Hij werd pas premier van Groot-Brittannië toen hij tweeënzestig was, na een leven van mislukkingen.  Zijn grootste prestatie leverde hij als bejaarde.

• Achttien uitgevers weigerden Richard Bachs’ verhaal Jonathan Livingston Zeemeeuw totdat Macmillan het in 1970 uiteindelijk wel uitgaf.  In 1975 waren er alleen in de Verenigde Staten al zeven miljoen exemplaren van verkocht.

• Richard Hokker werkte zeven jaar aan zijn humoristische oorlogsverhalen onder de titel M*A*S*H.  Eenentwintig uitgevers weigerden het echter.  Nadat Morrow het had uitgegeven, werd het een bestseller, een succesvolle film en een populaire televisieserie.

Hoog Spel

Vandeman Gelijk GezondOver de Confrontatie tussen Oost en West

Doorheen alle tijden zoekt iedere mens naar bevestiging dat de levensstijl die men aanhangt te verantwoorden is. Zo heeft iedereen zijn God en godsdienst en zoekt iedereen een oplossing voor het schuldvraagstuk. Het open breken van de grenzen heeft westerlingen nieuwe dingen doen ontdekken, en men heeft gemeend dat het Oosten de plaats was waar rust en vrede heersten, waar mensen in harmonie met hun natuur konden leven… maar soms is het tijd om wakker te worden… 

Als christelijke vereniging hebben we de taak om te verwijzen naar Christus. Gezond leven redt ons niet of verschaft ons geen toegang tot het hemels leven. Alleen onze relatie met God doorheen de verdiensten van Jezus Christus die onze zonden op zich nam, kan daaraan verhelpen. Een christelijke vereniging of organisatie, zonder dat Christus’ kenmerken erin terug te vinden zijn, is een leugen. Daarom zien we het als een bijzondere taak, maar tevens een zware opgave, dat wij niet schrijven en doen wat ons goeddunkt, maar ons in alles de vraag stellen of Christus net zo zou doen, in onze plaats. 

Het volgende verhaal komt uit het boek Hoog Spel van George Vandeman. Het is een fragment dat aangeeft hoe mensen misleid worden en hoe belangrijk het is om te “onderscheiden”. Niet voor niets hebben wij “verstand” gekregen… niet om het opzij te zetten, maar om het te gebruiken !

Omdat in de hele wereld van gezondheidszorg en natuur-zoekers erg veel oosters-gerichte mensen zijn, publiceren we dit fragment… als denkoefening. Interesse voor het boek ?  Het is voor u beschikbaar. 

“Het westen kwam terecht in de maalstroom van een ongekende technologische ontwikkeling.  Maar terwijl het westen druk bezig was met deze vooruitgang, namen de Beatles de hippies – en enige niet-hippies – bij de hand en leidden ze terug naar het oosten. Hier lagen vreemde contrasten. Terwijl vooruitstrevende katholieken trachten de mis uit een dode taal te halen, kwamen de hippies in het openbaar samen om in het Sanskriet gebeden op te zeggen.  En terwijl kerkelijke hervormers probeerden hun kostuums te moderniseren, liepen de hippies rond in kleurrijke symbolische gewaden.  Terwijl de moderne kerken hun prioriteiten aan het herzien waren, rangschikten de subculturen de zonden van de maatschappij opnieuw in volgorde van belangrijkheid.  

Het steeds wisselende gezicht van de nieuwe moraal kwam naar voren in een epidemie van aspirant-goeroes.  Drugs stonden hun ereplaats af aan meditatie – niet omdat drugs immoreel waren, maar omdat meditatie beter ‘high’ zou maken. De weg naar het oosten was niet zo moeilijk.  De door de Beatles beroemd gemaakte Maharishi, zou een publiek van 4000 man in Berkeley (Californië) verzekerd hebben dat het voor een volledige uitwerking van de meditatie niet nodig was om een geloof te hebben of om drank, vrouwen en herrieschopperij op te geven. Zocht deze rusteloze, losgeslagen cultuur naar redding van zonde ?  Vergeving ?  Een veranderd leven ?  Of zochten ze naar een pantheïstische kracht die naar hun corruptie zou knipogen. De filosoof Alan Watts beschreef de aantrekkingskracht van de oosterse mystiek als volgt :  ‘De joods-christelijke wereld is er één waarin de morele noodzaak, het verlangen om rechtvaardig te zijn, alles doordringt.  De aantrekkingskracht van de oosterse filosofie is dat het achter de dringende werkelijkheid een goed en kwaad een groot gebied van de persoonlijkheid laat zien waarover geen schuld of verwijt hoeft te bestaan.’ Misschien zochten de subculturen toch naar iemand om hen van zonde te redden zonder het te beseffen.  Misschien dachten ze echt wel dat je schuld tot zwijgen brengt door de waakhond te doden.

Een klein meisje liep in de kerstdrukte met haar moeder over Fifth Avenue.  Ze bleef naar beneden kijken, de ogen op het trottoir gericht.  ‘Waarom kijk je niet naar de kerstétalages ?’  ‘Ik zoek ergens naar.’  Waarnaar ?’  ‘Ik zoek naar iets om te vinden.’ Is dat niet de moeilijkheid met deze generatie ?  Naar beneden kijken.  Terugzien.  Elke kant op zien.  Zoekend naar iets om te vinden.  Gretig naar alles dat men nog niet heeft geprobeerd.

Schrijver-redacteur Peter Cohon zegt :  ‘Waar je je ook wendt of keert, alles draait om winst of privé-bezit.  Maar er is een hartstocht naar religieuze betekenis, naar een spiritualiteit die gewoon te lang de kop ingedrukt is :  Ik, ik smacht… naar nieuwe denkkaders, andere wegen om de dingen op een rijtje te zetten.  De I Ching, astrologie, magie, het oosten, schizofrenie … alles !’ Zo hebben we momenteel een epidemie van nieuwe godsdiensten. Bijgewerkte, voormalige ketterijen.  Maar geen van die omslachtige zedelijke eisen uit de bijbelse godsdienst. J. Wallace Hamilton merkt op :  ‘Is het niet vreemd hoe we hier in het westen oosterse boeken lezen, omdat we naar gemoedsrust zoeken ?  Maar in het oosten lezen ze westerse boeken omdat ze wakker willen worden.’

Maar de betovering van het oosten is sterk.  Oost en west hebben elkaar al voor het hindoe-altaar ontmoet.  De aantrekkingskracht van het hindoeïsme is niet langer slechts een gril.  Vele jeugdidolen van vandaag zijn uitgesproken bekeerlingen van het hindoeïsme. Rock-muziek was al lange tijd een medium waardoor de massa kon worden geïndoctrineerd.  Rockgroepen hadden deugden van de drugs opgehemeld.  Maar nu begon de muziek te veranderen.  De Rock-and-roll begon een oosterse invloed op te nemen.  De dissonante tonen van de oosterse toonladders raakten bekend bij westerse luisteraars.  Toen kwam de invoer van hindoeïstisch-godsdienstige begrippen, de invloed van hindoegoden.  De godsdienstige opbouw van een complete westerse generatie werd gewijzigd – door rock-and-roll.

Meditatie was in.  En reciteren, die aanbidding van Shiva.  En de mantra.  De mantra is volgens één schrijver in wezen een uitnodiging aan een demonische geest tot in bezit nemen van het denkvermogen.  Van een swami wordt het volgende gezegde bericht :  ‘Als ik me genoeg had geconcentreerd … zou ik zelf Shiva geworden zijn.’ Maar genoeg hierover.  Waarom zouden we zo verzot zijn op wat zo lange tijd het oosten heeft bezwaard en gehinderd ?  Wat is er voor aantrekkelijks aan een godsdienst van wanhoop, waar hoop niet eens onder de deugden gerekend wordt ?  Ligt het antwoord in de leegte van het nirwana ?  Menen we gemoedsrust te kunnen vinden door zo stil te zitten als een bessenstruik ?  Wat voor reddingskracht ligt er in een godsdienst zonder levende Christus ? Lopen we het levende water voorbij om van smerige bronnen te drinken ?” “Op een avond werd ik in Londen aangesproken door een intelligente Engelsman, die zei :  ‘Ik sta op het punt een beslissing te nemen.  Als ik straks dit gebouw uitga, zal ik gekozen hebben tussen boeddhisme en christendom.  U heeft een half uur om uw zegje te doen!’ Een half uur ! Wat een uitdaging !  Geen tijd meer voor bijzaken. In dat halve uur moest ik hem naar een leeg graf buiten Jeruzalem leiden.  Want als ik bij herhaalde gelegenheid naast het Tuingraf stond, dat volgens velen het meest lijkt op het graf waar Jezus in werd gelegd, was ik diep onder de indruk van het essentiële verschil tussen het christendom en alle andere godsdiensten.  Het graf van Christus is leeg! Er zijn andere grote godsdiensten die bij het graf van hun stichters aanbidden.  Het graf van Mohammed te Medina in Arabië is geen leeg graf.  Het graf van Confucius in China is geen leeg graf.  Stukjes van Boeddha’s lichaam worden op verschillende plaatsen in het oosten als relikwieën bewaard.  Maar er is geen schrijn ter wereld die aanspraak maakt op een been van Christus.  Als het bijbelverslag waar is, dan liet Hij die dag de dood voorgoed achter Zich, met een leeg graf om ervan te getuigen !

De betovering van het oosten kan verbroken worden.  Maar alleen door een levende Christus.  Alleen een levende Christus kan de vreemde verdwazing door goden en goeroes stopzetten, zodat een onrustige generatie een andere stem kan horen.  Alleen een levende Christus kan vergeving schenken, schuld wegnemen.  Alleen een levende Christus kan bevrijding van de vrees voor toornende goden aanbieden.  Hij alleen geeft leven en houdt zijn belofte.  Omdat Hij alleen kan zeggen :  ‘Ik ben… de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’ (Openbaring 1:18).

De betovering van het oosten is sterk, maar er blijft de machtige concurrentie van een leeg graf !

      een passage uit “Hoog Spel” / G. Vandeman

De tirannie van de massa

Tirannie Massanaar “Een dag om nooit te vergeten” van G. Vandeman

pastedGraphic.png

Zijn er nog mensen die anders durven zijn dan anderen ? Of heeft het subtiele, hypnotische geroffel van de trommels ieder mens ongemerkt een slaaf gemaakt van de tirannie van de massa ? Ik geloof dat het onderwerp op z’n plaats is. Al te vaak hoor ik geluiden van mensen die vinden dat afwijkend gedrag, afwijkende gewoonten en afwijkende voeding toch maar niks zijn… Ze willen graag nog eens ‘gewoon’ doen. Overkomt dat je ook wel eens ? Gebeurt het ook wel dat bepaalde drang zeer sterk wordt en je terug wil in de massa opgaan ? Als je weet wat dat is en van waar dat komt, zal je hier veel makkelijker mee omspringen. Want je zal ontdekken dat er soms heel kleine details zijn overgeslagen, waardoor je bijna zeker moet mislukken. 

Noteer : wanneer we ooit anders zijn, dan is dat niet zuiver en alleen om ànders te zijn, maar omdat ànders beter is.

We zijn erg gevoelig voor de mysterieuze macht van de conformiteit, of we dat nu willen of niet. We hebben er ontzag voor, worden erdoor geboeid en zijn er bang voor, vanwege haar onberekenbare, grillige, teugelloze heerschappij over de menselijke geest. Niets wordt méér gevreesd dan dat we alleen zullen komen te staan en verworpen zullen worden door de publieke opinie; of door onze vrienden, familie, werkomgeving. We zien zo vaak dat vijandige spook oprijzen, waardoor we ons terugtrekken in de massa, naamloos, kleurloos en onherkenbaar… Beter dan belachelijk gemaakt te worden, een etiket te krijgen… Je kan je werkelijk de vraag stellen waarom wij zo’n vreemde neiging hebben om zeker niet in het oog te lopen ?  Wij marcheren rond als robotten, vallen niet op in de groep en zijn doodsbenauwd bij de gedachte dat we anders zouden zijn. Waar is het creatieve afwijken van de norm gebleven dat de helden en martelaars van het verleden schiep ?  Waar is de opwinding en de vrijheid van het innemen van een eigen standpunt gebleven ?

Margareth Applegarth heeft een verrukkelijk boek geschreven:  Men as Trees Walking. Daarin vertelt zij het ware, maar bijna ongelofelijke verhaal van Jean Henri Fabre en zijn studie van de processierups. Het schijnt dat deze rups doelloos ronddoolt, gevolgd door vele andere rupsen die bewegen wanneer hij beweegt, stilhouden wanneer hij stilhoudt en eten wanneer hij eet.  Zij leven voornamelijk van dennennaalden. Op een dag probeerde Fabre een experiment. Hij vulde een bloempot met dennennaalden, die de rupsen erg lekker vinden, en zette ze toen in een kring op de rand van de pot.  Zij begonnen langzaam achter elkaar de rand rond te kruipen. Dit onzinnige rondkruipen hielden ze zeven dagen lang vol – zonder ooit uit te rusten om te eten – totdat ze één voor één van uitputting in elkaar zakten. En de auteur maakt de veel betekende opmerking dat de bossen vol zitten met processierupsen – die verbazend veel lijken op mensen zoals u en ik. We lopen met de massa mee – ook al draaien we daarbij in een kringetje rond, ook al bereiken we niets en lopen we de beloningen van het leven mis.  We lopen maar steeds op de bloempotten van de conformiteit rond – tot we van uitputting in elkaar zakken.

Bovendien weten we niet eens waarom we het doen! Het is niet altijd veilig om met de massa mee te lopen. Als we dat in Christus’ tijd hadden gedaan, zouden we Hem verworpen hebben. Luister maar naar het verslag van de dienaars die erop uitgestuurd waren om Jezus te arresteren, maar die zonder Hem terugkwamen: “De dienaars nu antwoordden hen : Nooit heeft een mens zo gesproken, als deze mens spreekt !  De Farizeeën dan antwoordden hun : Zijt gij soms ook verleid ?  Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd of van de Farizeeën ?” (Johannes 7:46-48).

Die vraag heeft bij heel veel mensen de doorslag gegeven. Heel wat mensen waren diep ontroerd door het werk dat Christus deed. Ze vonden het zo mooi en herkenden zonder twijfel zijn liefde, zijn bewogenheid, zijn gezag…  Maar zodra iemand er ernstig over nadacht om Hem te volgen, werd hij geconfronteerd met de vraag: “Heeft soms één van onze oversten in Hem geloofd ?” Horen wij de echo van die woorden vandaag de dag niet ook nog? Er worden nog steeds mensen van de waarheid overtuigd, maar van zodra bepaalde waarheden worden geopenbaard komen de vragen… Men gaat op zoek naar de verhouding tussen deze waarheid en zij die men in het leven als een autoriteit herkent. Hoe staan zij er tegenover? Onze religieuze leiders, onze ministers, onze wetenschappers… Het is toch niet mogelijk dat zij het allemaal bij het verkeerde eind hebben? Soms is de waarheid ontstellend. Die waarheid klinkt de moderne mens misschien vreemd in de oren. Het is de mengelmoes van bevestiging en ontkenning : aangeraakt door de geest gaat er iets open maar er is iets dat het geopende meteen weer wil sluiten. Die waarheid kan te maken hebben met de voeding, met Gods plan met de mens, met Gods afgezonderde dag, met de figuur van Jezus Christus, met ons doel op deze aarde, enz..  

Dan zijn er mensen die vragen : “Hebben de vooraanstaande theologen van onze tijd het aanvaard ?  Is het door onze “knapste koppen” erkend? Is het in de belangrijkste godsdiensten opgenomen?” en op het vlak van voeding, levensstijl, ziektepreventie e.a. klinkt het net zo.  Het is de echo van de vraag die tweeduizend jaar geleden gesteld werd : “Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd ?”

Er is een tijd geweest dat de massa Jezus tot koning wilde uitroepen.  Hij had kort daarvoor meer dan vijfduizend mensen te eten gegeven.  Ze waren wèg van wat deze Man allemaal voor hen zou kunnen doen.  Hij zou generaal kunnen worden en tegen Rome in opstand kunnen komen – en het leger steeds van voedsel kunnen voorzien.

En toen Jezus op een dag in triomf Jeruzalem binnenreed, haalde de menigte Hem juichend binnen.

Maar die stemming sloeg als een blad aan een boom om.  De mensen die het hardst geschreeuwd hadden om Hem koning te maken en die palmtakken voor Hem hadden neergelegd, stonden nu vooraan in de menigte die op die vrijdagmorgen voor Pilatus stond. Diezelfde mensen die Hem toegejuicht hadden, schreeuwden nu: “Kruisig Hem!”  En ze wisten niet eens waarom ze het deden !

De meerderheid heeft zelden gelijk.  In de tijd van Noach namen slechts acht mensen de waarheid aan, de grote massa verwierp de waarheid en kwam om in de ramp die volgens hen nooit had kunnen gebeuren.

In de tijd van Elia was de waarheid zo onpopulair geworden dat hij tegen God klaagde dat hij alleen was overgebleven.  En de zevenduizend mensen die volgens God trouw waren gebleven, waren maar een armzalig kleine minderheid. In de tijd van Maarten Luther was het niet veel anders. Er was moed voor nodig om als Noach tegen een spottende wereld in te gaan. Er was moed voor nodig om als Elia op de berg Karmel tegenover de mensen te staan die hem van het leven wilden beroven.  

Er was moed voor nodig om als Maarten Luther alleen voor de rijksdag te staan die hem ter verantwoording riep en eiste dat hij zijn woorden zou herroepen. Maar zijn woorden galmden luid en duidelijk en onbevreesd in de oren van wie hem naar het leven stonden: “Ik kan en zal niets herroepen… Hier sta ik, ik kan niets anders !” 

Al deze mensen hadden, om hun eigen vel te redden hun beginselvastheid kunnen opgeven. Maar de situatie maakte hen sterk. 

Ook vandaag de dag is er net zoveel moed nodig om die standvastigheid te beleven. Blijkbaar kunnen we niet verwachten dat het recht en de waarheid de zegen van de publieke opinie hebben. Want luister maar eens naar deze woorden van Jezus : “Gaat in door de enge poort, want wijd is (de poort) en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er,die hem vinden” (Matheüs 7:13,14). Een weg die populair is, kan best verkeerd zijn. De keuze van de massa, van de overheid, van de wetenschap, van de spreekbuizen van deze wereld is geen goed argument om zich op te beroepen. De massa is verblind door het feit dat zij dikwijls van geen verlichting wil weten, bang is van de consequenties van haar keuzes en wenst daarom zelf geen keuze te maken. 

“Soms schijnt een weg iemand recht, maar het einde daarvan voert naar de dood” (Spreuken 14:12).

Zijn onze overtuigingen misschien minder sterk dan onze vrees om anders te zijn ?

Het verbaast ons niet dat zwakke mensen in het verleden – of nu ook – onder de overtuigende invloed van folteringen hun principes opzij hebben gezet. De duimschroef en de pijnbank, eenzame opsluiting en dwangarbeid hebben afschuwelijk veel succes gehad om de mensen weer in het gareel te brengen.  Maar hoe verklaren we de neiging om met de massa mee te lopen als er niets van levensbelang op het spel staat – alleen maar de onwelkome lichtbundel die de persoon die er een andere mening op na houdt in het zonnetje zet ? 

Waarom geven we toe aan de grillen van van de groep als het gaat om onbelangrijke zaken zoals een haarstijl of de snit van een pak of het één of andere onbelangrijke statussymbool ? Hebben we niets beters te doen dan een redelijk goede reproductie van ieder ander mens te worden ?

Er staan geen principes op het spel.  Er is geen foltering bij betrokken.  Geen dwangarbeid.  Geen eenzame opsluiting. Alleen de dwang van de massa, maar daar gaat het om.  Als we zo reageren als het om de alledaagse dingen van het leven gaat, hoe zullen we dan reageren als er kwesties van leven en dood op het spel staan – op de dag dat niemand kan kopen of verkopen ? Dat is de vraag. Het is een feit dat heel veel mensen minder bang zijn voor een vuurpeleton dan voor een spottende menigte. Zoals Petrus. Petrus zou voor zijn Heer gevochten hebben als hij toestemming had gekregen.  Maar op de binnenplaats van het huis van Kajafas zonk hem de moed in de schoenen bij de subtiele spotternij van de menigte – en vooral van een dienstmeisje. Hij was bereid om voor zijn Heer te sterven. Hij stond klaar met zijn zwaard; maar hij durfde de massa niet onder ogen te zien. Hij was bereid om te sterven, maar niet om Hem te belijden.  Maar Jezus zei : “Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is” (Matteüs 10:32.33).

Ja, het kost iets om aan de waarheden vast te houden, om de dingen die men heeft geleerd, om de waarheden te verdedigen en in praktijk te brengen.  

Sommige waarheden komen als onaangename verrassing.  De waarheid kan soms verontrustend zijn.  Opeens ontdekken we dat de prijs heel hoog is. De waarheid heeft zijn prijs.  Maar het is de moeite waard – zelfs als dat betekent dat we anders dan anderen zullen moeten zijn.

Henry Thoreau, een ruige individualist uit de negentiende eeuw, heeft eens gezegd : “Als iemand niet in de maat loopt met zijn kameraden; dan komt dat misschien omdat hij een andere trommelslager hoort. Laat hij meelopen met de muziek die hij hoort, hoe zwak die ook maar klinkt of van hoever weg die ook maar komt.”

Desmond Doss was zo iemand.  Tijdens de tweede Wereldoorlog maakte hij deel uit van het medische corps.  Deze verlegen, bijna tengere jongeman zag er niet uit of hij erg dapper was. Maar hij draagt de eremedaille van het Amerikaanse Congres. Het gebeurde op een zaterdagmorgen op Okinawa. Omdat het sabbat was, behoefde Desmond Doss geen dienst te doen.  Maar het leger stond op het punt om weer een poging te doen om Hill 167 in te nemen en er was geen ander medisch personeel aanwezig. Of hij met hen wilde meegaan ? Hij antwoordde dat hij natuurlijk bereid was om levens te redden, zelfs op de sabbat. Vlug zocht hij zijn uitrusting bij elkaar. En toen vroeg hij of ze even wilden wachten. “We kunnen die heuvel niet opgaan zonder eerst te bidden, zei hij. En het Amerikaanse leger wachtte, terwijl Desmond Doss hardop bad.  Zij wachtten gewillig. Zij hadden vertrouwen in deze man en zijn gebeden. Op de één of andere manier voelden zij zich een beetje veiliger.

Zij zochten een weg langs de steile helling omhoog, maar werden al gauw door de vijand teruggeslagen.  En toen het appèl kwam, behoorde Desmond Doss tot de vermisten. Maar opeens werd hun aandacht getrokken door iemand die van de top van de klip naar hen wuifde.  Het was Desmond Doss die om hulp vroeg. Hij kreeg meteen bevel om naar beneden te komen.  Maar bevelen betekenden niets voor hem wanneer er levens op het spel stonden. Toen zij zagen dat hij niet van plan was om naar beneden te komen, kwamen ze hem te hulp.  Zij gooiden handgranaten over de klip om hem te dekken en hij ging aan het werk.  Onder vijandelijk vuur bracht hij in zijn eentje vijfenzeventig mannen in veiligheid !

Vijfenzeventig mannen overleefden die dag – omdat één man een andere trommelslager hoorde – en anders dan anderen durfde zijn. 

Hebt u in uw leven andere geluiden gehoord en hebt u een zekere kritische weerstand tegenover andere berichten die in overvloed worden rondgestrooid ? Dan vallen deze dingen zeker te overwegen. Het is mogelijk dat je van jezelf vindt geen dappere of heldhaftige persoon te zijn, denk dan maar even aan Doss. 

Doss liet zich niet verzwakken door zijn eigen beangstigende gedachten over het risico dat hij nam voor zijn eigen leven. Doss volgde zijn hart en zijn geloof. En wees er zeker van : in het geloof is ieder onder ons sterk. 

Het is mogelijk dat je ook af en toe een vijandige berg op moet : de klip van de tegenstand die je krijgt van familie of vrienden of van je meest dierbare en nabije contacten… In hun weerstand vormen zij een testbank van je standvastigheid waarbij je achting of misprijzen zal oogsten na een periode van doorzetten of zwichten onder hun druk. 

Beste vrienden, er is terrein te veroveren. Vrijheid wordt ons niet op de schoot geworpen, maar is een kwaliteit die men verdient door zich los te worstelen van de tirannie van de massa, door te luisteren naar je eigen hart en de waarheid die daarin ligt opgeborgen. Vrijheid is niets anders dan het gemak dat je hebt verworven om de ontdekte waarheden te kunnen beleven, ondanks alles.

Ik hoop dat dit artikel weer nieuwe moed geeft en kracht geeft om de schone dingen die men heeft ontdekt met nieuw enthousiasme en durf – maar toch met respect voor anderen – uit te dragen. We hoeven anderen niet uit te dagen, maar als christenen, hen liefhebbend benaderen.

Dat dit onderwerp veel lezers bezighoudt, kan ik opvangen op onze voordrachten en cursussen. Velen onder ons leven met de (soms bekommerde) bemoeienissen van mensen die vinden dat we de weg van het avontuur opgaan.  Je eet geen vlees… je hebt gekozen voortaan geen suiker meer te gebruiken… je begint op zuivel te bezuinigen… brood lijkt ook niet zo’n schitterend voedingsmiddel… Mens, maar wat mag je dan nog wel eten? En dan hebben we het nog over puur materiële dingen die verklaarbaar zijn. Op het geestelijke vlak krijg je bij de minste afwijking de naam ‘sekte’ opgeplakt.  En dat wil toch niemand geweten hebben… Dus, dan toch maar netjes in de pas ? Voor het gelijk van de massa.

Bloemen uit een andere tuin

B Maleachi 4(Charles Spurgeon, “Flowers from a Puritan’s Garden” 1883)

“Als raven worden weggedreven van aas, houden ze ervan om binnen de geur ervan te blijven rondhangen. – Als u vrij van zonde wilt zijn – vermijd dan de verleidingen die ertoe leiden! ”

Deze eerste zin is een grimmige gelijkenis, maar al te waar. We hebben degenen gezien die het huis van de duivel niet durfden betreden – maar die lang rondhangen voor zijn deur! De oude vrouw in de fabel kon geen wijn in de pot vinden – maar rook er graag aan. Het is een bewijs van de liefde van de mens voor het kwaad, en leert dat mensen, wanneer ze worden tegengehouden van feitelijke zonden, hun vroegere daden zullen herhalen, en dol zijn op de lusten waaraan ze jaren hebben toegegeven! Als ze geen vers gerecht uit de keuken van Satan kunnen krijgen, stellen ze zich tevreden met de kruimels!

De auteur geeft vanaf het begin wijs advies, wanneer hij zegt: Om zonde te vermijden – vermijd verleiding.

  • Hij die niet gewond wil raken, zou uit de strijd moeten blijven.
  • Hij die niet wil verdrinken, zou niet op zee moeten gaan.
  • Hij die niet wil worden verbrand, moet wegblijven van het vuur.
  • Als mensen in de trein stappen die naar het eindpunt van ongerechtigheid rijdt, moeten ze verwachten dat ze naar hun einde worden gedragen.
  • Als ik op de weg der zondaars sta, zal ik spoedig met hen rennen.

Het helpt om een ​​goddelijke angst te bezitten, die mij eerder zal leiden om tien kilometer uit de weg te gaan, dan langs de plaats van verleiding te komen! Het is goed om buiten de geur van zonde te blijven, want de geur ervan is dodelijk. Als we een verzoeking zoeken, zullen we die snel vinden. En daarin, als de kern in een noot, zullen we zonde ontmoeten!

Houd uw weg ver van haar, nader niet tot de deur van haar huis, opdat gij uw luister niet aan anderen geeft, noch uw jaren aan een meedogenloze; opdat vreemden zich niet verzadigen met uw vermogen, en uw moeizaam verworven goed niet kome in het huis van een onbekende, zodat gij in het laatst zoudt kermen, als uw vlees en uw lijf verteerd zijn.” Spreuken 5: 8

Heer, geef me voorzichtigheid. Zodat ik het aas van de zonde niet zou begeren, geef me genade dat de meest oppervlakkige geur ervan me onmiddellijk ziek zal maken en ervoor zal zorgen dat ik mijn stappen zo ver mogelijk van hem af houd!

Welzalig de man die niet wandelt
in de raad der goddelozen,
die niet staat op de weg der zondaars,
noch zit in de kring der spotters;
maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft,
en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht.” Psalm 1:1

Spurgeon geloof

Niet willen zien

Semmelweis reflexNiemand zo blind als diegene die niet wil zien

“Er is niemand zo blind als degene die niet wil zien”. Ze zeggen ook wel: “Er is niemand zo doof als degene die niet wil horen”. Dat is natuurlijk hetzelfde. Het betekent gewoon dat het bijna onmogelijk is om iemand tegen zijn wil in op andere gedachten te brengen, ook al is het nog zo logisch en al is het nog zo waar.

Ik weet niet of je ooit van Semmelweis gehoord hebt, de man die rond 1850 de oorzaak ontdekte van de kraamvrouwenkoorts. Semmelweis kwam dat ook pijnlijk aan de weet, dat er niemand zo blind is als degene die niet wil zien.

Semmelweis was een medicus. Hij was verbonden aan het Weense Algemene Ziekenhuis en werkte daar als verloskundige. Maar het zat hem dwars dat het sterftecijfer in de kraamkliniek waar hij werkte zo hoog was: één op de tien kraamvrouwen stierven er. Ook al was de bevalling in de kraamkliniek nog zo goed verlopen, na vijf dagen stierf ruim één op de tien vrouwen aan kraamvrouwenkoorts, meestal met het kind erbij. En niemand wist wat daarvan de oorzaak was…
Op de afdeling van Semmelweis zag het programma er elke dag hetzelfde uit. Eerst het verplichte onderzoek van de overledenen, samen met zijn studenten in de sectiekamer. Dan snel even de handen wassen, allemaal in hetzelfde water met gebruik van dezelfde handdoek. Dan waren de kraamvrouwen aan de beurt voor inwendig onderzoek. Zo ging Semmelweis dagelijks langs de bedden, gevolgd door zijn studenten. Toen deed hij een ontdekking. Zo nu en dan kwam het voor dat er een vrouw binnen werd gebracht die op weg naar de kliniek al was bevallen. Bij deze vrouwen traden de dodelijke wondkoortsen praktisch nooit op. Maar de moeders die in de kliniek hun kindje ter wereld brachten, waren hun leven niet zeker. En dat was niet alleen in Wenen zo, maar ook in alle andere Europese klinieken waar op dezelfde manier werd gewerkt. Onbegrijpelijk was het.
Op zekere dag overleed een goede collega van hem die zich tijdens een sectie met een ontleedmes in de vingers had gesneden. Toen deed Semmelweis weer een ontdekking: zijn collega vertoonde exact hetzelfde ziektebeeld als de ongelukkige kraamvrouwen met hun babies! Dat zette hem opnieuw aan het denken. Waar kwam het gif vandaan dat de dood van zijn collega had veroorzaakt? Van een lijk dat hij onderzocht. En waar kwam het gif vandaan dat al die kraamvrouwen de dood in joeg? Ook uit die lijkenkamer misschien? Het kon niet anders! Hij keek naar zijn handen en rook eraan: lijkenlucht snoof hij op. Hij was er zo mee vertrouwd. Dat werd beschouwd als normaal, dat hoorde nou eenmaal bij het vak. Maar daardoor brachten die handen wel de dood in plaats van het leven! Toen hem duidelijk geworden was dat de gevreesde ziekte in verband stond met de lijklucht aan zijn handen, begon Semmelweis allerlei wasmiddelen en chemische oplossingen uit te proberen om zijn handen na een sectie zó schoon te krijgen dat daarna ook de lijklucht verdwenen was. Met zand, zeep en soda lukte het niet. Hoe hij ook boende en schuurde, het hielp niets. Loog, spiritus, ammoniak, oplossingen van allerlei zuren: de stank bleef. En die stank was voor hem het bewijs dat het gif nog aan zijn handen zat. Toen kwam de gelukkige greep. Hij nam een fles met een oplossing van chloor en waste na zijn werk in de lijkenkamer zijn handen grondig met de chlooroplossing. Na het wassen voelden zijn handen glibberig aan, maar tot zijn verrassing was de stank verdwenen! Hij had de sleutel gevonden voor de oplossing van het vreselijke probleem van de kraamvrouwenkoorts.

Toen kwam de grote teleurstelling: niemand wilde geloven dat hij het geheim had ontdekt dat een eind kon maken aan het hoge sterftecijfer onder de kraamvrouwen. Zijn collega’s vonden het belachelijk dat het wassen van je handen in een chlooroplossing het antwoord was op het grote internationale geneeskundige vraagstuk van de kraamvrouwenkoorts!

Maar Semmelweis zou het bewijzen. Hij dwong zijn protesterende studenten om hun handen na hun werk in de snijkamer elke keer te wassen met een chlooroplossing. En de resultaten waren verbluffend. Het sterftecijfer daalde in twee maanden van één op de tien naar één op de tachtig! En een jaar later had hij de vreselijke ziekte op zijn afdeling helemaal onder controle en kwam er geen enkel geval meer voor van kraamvrouwenkoorts.

Maar als je mocht denken dat daardoor de hele medische wereld overtuigd werd van de juistheid van zijn ontdekking, dan heb je het mis. Bijna nergens werd zijn ontdekking erkend of toegepast. Wat hij ook deed of schreef, de medische wereld wilde er niets van weten. Het was te simpel. En men gunde hem de eer niet. Tijdens zijn leven is dat ook zo gebleven. Hij werd bestreden of genegeerd en belachelijk gemaakt. Semmelweis heeft dat niet kunnen verwerken. De gedachte dat door de eigenwijsheid van de medici en het vasthouden aan hun eigen gelijk duizenden onschuldige vrouwen en zuigelingen onnodig de dood in werden gejaagd, maakte hem letterlijk gek. Hij stierf op 47-jarige leeftijd in een psychiatrische inrichting…

Het is praktisch onmogelijk om mensen te overtuigen van iets goeds wanneer ze halsstarrig blijven vasthouden aan hun eigen gelijk.
Na de dood van Semmelweis kwam Pasteur met zijn ontdekkingen. Door die ontdekkingen werd Semmelweis in het gelijk gesteld. Maar met Pasteur gebeurde hetzelfde.
We weten dat het Pasteur was die ontdekte dat je etenswaren kunt bewaren door ze te pasteuriseren of te steriliseren. Hij kwam er achter dat er geen leven kan ontstaan uit levenloze materie. Wanneer je er voor zorgt dat je door verhitting alle leven wegneemt uit een hermetisch afgesloten ruimte met plantaardige of dierlijke producten, dan kun je er zeker van zijn dat er daarna ook nooit meer iets in tot leven komt.

Dat is het principe van het inblikken en inmaken. Maar net voordat Pasteur tot die ontdekking kwam, waren een aantal wetenschappers op het lumineuze idee gekomen dat het leven juist wèl vanzelf ontstaan was uit levenloze materie! Iedereen vond dat een prachtige gedachte, want daardoor was het geloof in een Schepper helemaal overbodig!

Maar wanneer je nu denkt dat de ontdekking van Pasteur daar toen eens en voor altijd een eind aan maakte en dat iedereen zou inzien dat levenloze materie nooit spontaan tot leven kon komen, dan heb je het mis! Net als bij Semmelweis zijn het vooral de wetenschappers die tot op vandaag nog halsstarrig vasthouden aan hun onbewezen ideeën op dat punt. En het publiek slikt het nog steeds als zoete koek. Terwijl het tegendeel al meer dan honderd jaar geleden bewezen is!

Al het leven om je heen, roept ons toe dat er een Schepper moet zijn die dat allemaal ontworpen en geschapen heeft. Bovendien kun je dat zelf ervaren.

Geloof en voorziening

Een Hongaarse predikantsvrouw in Roemenië, wier man om zijn geloof gevangen zat, werd in de jaren zestig met zeven van haar kinderen verbannen. Ze werd geplaatst in een onmogelijk, smerig, koud, modderig dorpje. Ze had geen werk, geen inkomen, vaak geen voedsel. Ze was straatarm.

Op een moment was het eten helemaal op. De laatste kruimel was opgegeten. Er was niets meer. Na een dag of drie begonnen ze allemaal serieuze honger te krijgen.
De vrouw vertelde haar kinderen bijbelse verhalen om ze af te leiden van

hun hongergevoel. Zo kwam ze bij het verhaal van Elia, die naar een grot bij de beek Krith vluchtte en daar door de raven werd gevoed (1 kon.17:6) .

Terwijl buiten zware sneeuwstormen woedden, werd er plotseling op het raam van de hut geklopt. Ze beefde van schrik en bij het spaarzame licht van de petroleumlamp opende ze angstig het raam. Omdat de deur gebarricadeerd was konden ze er niet in of uit. Door de spleet van het raam, tussen de binnen gewaaide sneeuwkristallen, kwam een hand naar binnen. In de ruwe hand lag een vers brood. Tot twee keer toe herhaalde zich dat. De ‘raaf’zei geen woord, hij stelde zich niet voor en ze kregen hem niet te zien. Hij bleef in het donker verborgen.

Een paar maanden later, toen er weer honger in het hutje werd geleden, werd er opnieuw aangeklopt. Ze deden open en zagen een wolfshond voor de deur staan, met fonkelende ogen. Het dier hield voorzichtig een brood in zijn bek. Ze wisten niet of ze bang moesten zijn of moesten lachen. Wolfshonden waren in het algemeen geen best teken. Ze keken uit naar de bewaker die bij de wolfshond hoorde, maar zagen niemand.

Uit: Engelen onder ons

Zaken van groot belang

De Bijbel die geveild werd.

In de buurt van Wuppertal-Elberfeld(Duitsland) ligt Wiltzhelden.
In 1817 trouwde daar de schoenmaker Arnold Breidenbach zijn verloofde Frederike.

Tot die tijd had hij in de schoenmakerij van het leger in Keulen gewerkt en het prachtige bedrag van 200 zilveren daalders kunnen sparen.

Met dit geld kon het jonge paar een vervallen huisje met wat grond kopen. Ze vestigden zich hier en hier begon Arnold zijn bedrijfje.

Er heerste in die streek grote armoede. Het land had erg onder het geweld van de Fransen geleden.
Na hen waren nog eens de Russen

plunderend rondgetrokken en … twee misoogsten volgden.
De Breidenbachs hadden het ook arm.

Arnold was godvrezend. Hij maakte van zijn geloof geen geheim.
In het café of op de dansvloer zag men hem niet. Grappenmakers had hij niet in zijn gezelschap.

Het is niet te verwonderen dat men hem op het dorp al gauw de naam “de vrome Breidenbach” gaf.
Als hij klaar was met zijn werk, zat hij meestal in zijn Bijbel te lezen. De mensen in Witzhelden glimlachten wat over het leven van hun schoenmaker.

Wel lieten ze graag door hem hun schoenen repareren of nieuwe schoenen maken, want hij was een vakman.

Hij verdiende een 8 groschen per dag en daar had hij genoeg aan.
Ja, hij kon zelfs nog iets opzij leggen voor de spaarkous.
Vrouw Breidenbach was het met haar man eens. Ook zij vreesde God maar zij kende de Here Jezus nog niet persoonlijk. Zover als haar man was zij nog niet.
We zijn een paar jaar verder.
Er waren kinderen geboren.
Het oudste kind sliep bij de ouders in bed.
Er was slechts één bed.
Het tweede kind lag nog in de wieg, maar het hoofdje en de voetjes raak- ten de uiteinden van het wiegje. Moeder verwachtte haar derde. Hoor! Wat wordt daar omgeroepen? Wat schreeuwt de dorpsomroeper? Dat in de herberg een boeldag gehouden zal worden. Meubelen, huisraad en nog meer zullen bij opbod verkocht worden. Vrouw Breidenbach tot haar man: “Arnold! Dit is een mooie gelegen- heid. Ga eens een bed kopen. We hebben nu 17 daalders gespaard. Dat zal toch wel genoeg zijn.”
Zwijgend luisterde de schoenmaker naar zijn vrouw. Hij was geen man van veel woorden. Maar op de dag van de verkoop, legde hij het werk neer, trok zijn blauwe kiel aan, nam het gespaarde geld en trok naar de herberg.
Daar staken de mensen de hoofden bij elkaar. Wie kwam daar binnen? Breidenbach? Hij was daar toch nog nooit geweest! Maar nu dan toch maar voor het eerst!

“Nu, meester, wat wilt u nu hier doen?”-

“Ik heb een bed nodig.”
“O, er zijn bedden genoeg hier!”De verkoop begon.

Men kletste wat, maakte lawaai en dronk.
Het eerste wat te koop aangeboden werd was… een Bijbel. Een heel groot en oud exemplaar.
Wel 120 jaar oud en wel 41 cm x 25cm; gewicht: 7 kg. Geen gewone Bijbel, maar één met verklaringen. De meeste aanwezigen waren al door de alcohol in de greep genomen. Ze begonnen te spotten en grappen te maken toen de Bijbel te koop geboden werd.
Er werden verzen uit de Bijbel aangehaald en er werd om gelachen. Een koopman bood al 15 groschen. Hij had inpakpapier nodig. Het hart van Breidenbach trok samen.
Hier werd met dát boek gespot waar hij zoveel van hield!
Hij bood een daalder.
De Bijbel mocht niet voor inpakpapier gebruikt worden!
“Wie heeft er een daalder geboden?” – “De vrome Breidenbach!” “Opdrijven”, schreeuwden de mensen.
Onder gespot en gelach bood nu iederéén, dan weer een ander en ze maakten maar grapjes.
Arnold Breidenbach bood ook nog. Hij dacht niet meer aan het bed.
Hij wilde maar één ding:
De Bijbel redden uit de handen van die woeste spotters.
Maar… de prijs was al opgelopen tot 16_ 1/2 daalder.
Breidenbach bood nog eens: 17 daalder.
Daar klonk: “Eenmaal, andermaal, de derde maal!”
En een klap volgde.
De Bijbel was toegewezen aan Arnold en nu moest hij zijn 17 daalders betalen.
Stil pakte hij de Bijbel op en ging naar huis.
Thuisgekomen was natuurlijk de eerste vraag van zijn vrouw: “Maar wat heb jij daar toch?”
– “Een Bijbel.”
“En waar is het bed?”
– “Ik heb geen bed.”
“Waarom niet?”
– “Door die Bijbel.”
“Wat kostte die Bijbel?”
– “Zeventien daalders.”

Nu barstte een stortvloed van scheldwoorden los!
Arnold trok zijn blauwe kiel uit, deed zijn schort weer voor en ging aan het werk. Op de verwijten en argumenten van zijn vrouw kon hij slechts antwoorden: “Ik kon het niet langer verdragen dat er zo over het Boek gespot werd.”

Toen Arnold die avond uit de Bijbel wilde voorlezen, liep zijn vrouw de kamer uit.
Die dag leek de zegen uit de woning te zijn verdwenen.

De volgende dag kwam heel vroeg een molenaar uit de buurt in zijn werkplaats.
Arnold vroeg hem: “Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

De molenaar krabbelde zich verlegen op het hoofd. “De zaak zit zo. Ik kom wegens de Bijbel en het bed.
Toen ik mijn vrouw gisteren het verhaal helemaal verteld had, heeft zij mij niet zo zuinig de les gelezen:”Jullie mannen moeten altijd spotten als je gedronken hebt.”

Die hele avond heeft ze me niet met rust gelaten en de hele nacht heeft ze, naar ze zei, niet geslapen.
Ik moest opstaan en met de knecht een bed uit het kamertje halen.

Dat bed werd niet meer gebuikt.
Ze heeft vers stro fijn gesneden en een nieuwe beddezak opgevuld. “Alsjeblieft”, zei ze vriendelijk, “neem dat bed en ga, anders krijg ik geen rust.”
Arnold heeft intussen zijn vrouw geroepen.
Ze keken beiden en vrouw Breidenbach ging gauw naar binnen en deed als Petrus. Ze… huilde! – Het bed werd van de wagen genomen en in de kamer gezet.

Die avond las Arnold zijn vrouw voor uit Psalm 37: “En 
verlustig 
u 
in
 de 
Here,
 zo
 zal
 Hij
 u
 geven
 naar 
de 
begeerten 
uws harten.
 Wentel
 uw
 weg
 op de 
Here, en
 vertrouw 
op Hem.
 Hij
 zal
 het
 maken…”

Hij kwam en zag

en zie, het maakte Hem misselijk…

Tranen Bella

Over de positie van mens en dier.

een verhaal over genetische manipulatie

inzending

We staan aan de rand van een klein bosje van lage zich vertakkende bomen. We zouden in Engeland kunnen zijn, want de omgeving voelt bekend aan, maar als het Engeland is, dan is het een volkomen veranderd Engeland. Kennelijk is dit een veehouderij. We staan in de buurt van de melkstal en ongezien gaan de Herder en ik de grote ruimte binnen. Het is vreselijk.

Ik kijk naar de Herder wat hij er van vindt, maar als hij al enige afkeer voelt is dat van zijn welwillende gelaatstrekken niet af te lezen. Ik kijk naar de koeien, als ik ze zo mag noemen, en huiver van weerzin. De koeien zijn niet meer dan “een biologische eenheid” aan een enorme melkende en voedende machine die het leven in stand moet houden. 

De koeien zien er grotesk uit. Ze hebben allemaal een kop, een bek, een romp, en een afzichtelijk grote uier, maar ze hebben geen oren, ogen en poten.

Elk ongelukkig, verdrietig dier is ondergebracht in een grote contai-ner die is aangesloten op de machine. Vloeibaar voedsel wordt toegediend via buizen en slangen, terwijl de melk die ze produceren voortdurend wordt afgetapt uit  één centrale tepel in de uier.

Met een diepe weerzin kijk ik de Herder aan. “Is dit echt?” breng ik uit. “Dit is een wantoestand, walgelijk.”

Met een droef gezicht trekt de Herder de schouders op. “In deze realiteit wordt het beschouwd als de meest ideale manier om melk te produceren. Ja, het is wel degelijk echt.”

Ik herinner me een eerder visoen waarbij ik reuzen en hun gruwelijke genetische experimenten te zien kreeg, en ik besef dat het arrogante verlangen om de natuur te mani-puleren en te onderwerpen nog steeds leeft onder deze toekomstige mensen. Er wordt zelfs een heel nieuwe uiting aan gegeven. Ik huiver als ik er aan denk waar het de reuzen tenslotte heeft gebracht.

“Hoe kun je dit toelaten”, vraag ik verontwaardigd, “dit is stuitend, de diepst mogelijke vernedering van een dier, en het is gevaarlijk.”  

Hij kijkt me uitdrukkingsloos aan. Michael, dit is een keuze. De boeren die betrokken zijn om deze methode om melk te produceren, hebben hiervoor uitdrukkelijk gekozen. De mensen die de melk drinken hebben hiervoor onbewust gekozen. Maar zelfs in deze realiteit zijn er mensen die zich er tegen verzetten.”

Nog voordat hij is uitgesproken lopen een paar jongemannen in witte steriele overalls op ons af, verwikkeld in een ernstig gesprek. Vlak bij ons staan ze stil om naar een van de arme misvormde koeien te kijken. Na een poosje stapt een van de mannen op de koe af en drukt een klein instrument dat er uitziet als een pen tegen de zijkant van de kop van de koe. Er volgt een scherp sissend geluid, de koe rilt en verslapt.

De twee mannen koppelen onmiddellijk de koe af en rijden de container naar de oprit, zodat het karkas gedumpt kan worden in een wagentje dat komt aanrollen. Even later arriveert een tweede wagentje en wordt een andere, iets kleinere koe op de machine aangesloten. het hele proces neemt misschien tien minuten in beslag.

De Herder en ik volgen het wagentje met de dode koe naar een ander groot gebouw waar een aantal afgesloten maar doorzichtige koeien staan. De koe-eenheid wordt op een transportband gezet en in een vat gestort. Terwijl we toekijken begint de koe snel te smelten.

“Is dat een zuur?” vraag ik geschokt.

“Nee.” antwoordt de Herder. “In het vat bevinden zich speciaal geproduceerde enzymen en bacteriën. De koe-eenheid wordt omgezet tot voedsel voor andere koe-eenheden.”

Ik ben stil van ontzetting en verdriet. Samen lopen we naar de andere vaten. Door de doorzichtige zijkanten zie ik dat in een synthetische, biologische imitatie van een baarmoeder nieuwe koe-eenheden worden gefokt, en vervolgens in een dikke voedzame gelei-achtige substantie worden opgeslagen, totdat ze bijna volwassen en nodig zijn. Ik voel me misselijk.