Zoiets doe je niet

Het is ruim 40 jaar geleden dat Hans Bouma dit artikel schreef… In aanloop van Kerstmis heel gepast om te herhalen !

Zoiets doe je niet met een dier DS. HANS BOUMA

“Er zal met de Kerst weer heel wat gesmuld worden. Vooral aan vlees zullen we ons te goed doen. Het is immers feest en wat is een feest zonder vlees? De bedrijven, die het ons moeten leveren, draaien op volle toeren. Er wordt een topproduktie verwacht. Slagers en poeliers zetten zich schrap. Ze zien hun winkels al uitpuilen. December is hun drukste maand.

Of- we moesten feestelijk bedanken voor al dat vlees. Er zit namelijk een luchtje aan. Het ruikt naar bio-industrie, d.w.z. naar verkrachting, uitbuiting, grenzeloos lijden, slavernij. Het is afkomstig van dieren, die geen leven hebben gehad. Dieren, die van meet af aan gefrustreerd zijn in hun behoeften en mogelijkheden. Dieren, die zich niet meer konden aanpassen aan hun fantasieloze, hoogst deprimerende omgeving. Dieren, die maar hadden mee te spelen in een geraffineerd industrieel productieproces. Dieren, die enkel commercieel interessant waren, louter bekeken werden op economisch rendement.

Belanghebbenden – boeren (die geen boer meer zijn), veevoeder-fabrikanten, stalen apparatuurleveranciers, vleesverwerkende industrieën – spreken verheven over ‘dierveredeling’, ‘veredelingslandbouw’. Biologen weten wel beter. Ze constateren zeer ernstige afwijkingen. Een veel voorkomend verschijnsel is bijvoorbeeld ‘stress’. Het landbouw-huisdier verkeert in grote fysieke en psychische nood. Het is er beroerder aan toe dan ooit. Het is volkomen gedegenereerd. De dieren, die naar het slachthuis gaan – hun enige uitstapje – zijn wrakken. Alleen dank zij een zeer intensieve medicamenteuze begeleiding bleven ze zo lang op de been. De farmaceutische industrie verdient kapitalen aan het biobedrijf. Niet voor niets staat de bio-industrie op de prioriteitenlijst van de dierenbescherming. Het was de Nederlandse Vereniging tot bescherming van Dieren, die via een in april 1972 gehouden studiedag het onderwerp ‘bioindustrie’ voor het eerst nadrukkelijk en alarmerend aan de orde stelde. Behalve de naam ‘veredelingslandbouw’ is ook de aanduiding ‘bioindustrie’ een grof eufemisme. Alsof er ook maar een sprankje ‘bios’, echt, natuurlijk leven, bij het moderne veebedrijf te vinden was! De dieren in de hedendaagse veehouderij lijden een schijnbestaan. Het zijn levende lijken. De slachtoffers van de bio-industrie zijn bekend. Vooral kuikens, kippen, varkens en kalveren moeten er aan geloven. Maar ook konijnen en kalkoenen o.a. worden industrieel gefokt. Sinds kort is zelfs het lam niet meer veilig. De eerste bedrijven zijn er al. Overigens is er nog nauwelijks belangstelling voor lamsvlees. Maar dat komt wel. Mét het op draadroosters gedeponeerde lam wordt meteen de vraag ernaar gefokt. Er is een cultus van Paaslammeren in de maak.

Je hoeft er geen christen voor te zijn om de grootste bezwaren tegen de bio-industrie te hebben. Het is een cultureel schandaal, dat plaatsvindt. De manier, waarop de moderne veehouderij het dier manipuleert, gaat alle perken te buiten. De maatschappij, die dit tolereert, moet zich ernstig zorgen maken over zichzelf. De bio-industrie is een maatschappelijke misstand van de eerste orde, een stuk sociaal onrecht, waarvoor we ons alleen maar kunnen generen. Zoiets doe je niet met een dier. Vraag het maar aan degene, die er het meest verstand van heeft, het beste weet wat ‘leven’ is : het kind. Of vraag het aan een vrouw, die nog een beetje vrouw is.

Niet zonder reden vielen hier de woorden ‘maatschappij’, ‘maatschappelijk’ en ‘sociaal’. We zouden uitsluitend in de richting van de boer kunnen kijken. Natuurlijk is hij óók en niet weinig medeplichtig aan het bio-bedrijf, maar wij met z’n allen zijn het niet minder. De bio-industrie is een collectieve misdaad. De boer is er beslist niet uit zichzelf mee begonnen. Hij weet wel iets leukers. Maar om het hoofd boven water te houden moést hij wel meedoen aan het algemene proces van massificatie, schaalvergroting, productie-intensivering. In een bepaald opzicht is een aantal boeren er misschien beter op geworden. Door op contract te mesten hebben zij zich verzekerd van een redelijk vast inkomen. Bovendien hebben ze door een consequente mechanisatie in de bedrijfsvoering meer vrije tijd dan vroeger. Maar van hun zelfstandigheid is niets meer over. Met handen en voeten zitten ze vast aan hun oppermachtige leveranciers en afnemers. Ze zijn volledig onderworpen aan het steeds dieper penetrerende handels-, industrie- en bankkapitaal. Wie garandeert bijvoorbeeld, dat de vleesverwerkende industrieën en veevoederfabrieken, gesteund door het bankkapitaal, het bio-bedrijf op een gegeven moment niet aan zichzelf trekken? Dit bedrijf is tenslotte helemaal niet gebonden aan het platteland. Het is eigenlijk erg onhandig het her en der in sterk verouderde agrarische structuren te situeren. Het is ook behoorlijk riskant. Boeren blijven boeren. Ze behouden hun trots. Ze kunnen lastig worden, protesteren, staken. Als aparte groep kunnen ze een dreigende vuist maken.

Wat nog erger is: veel boeren kennen geen echte arbeidsvreugde meer. Ze werken voor hun geld – en daarmee uit. Er wordt geen beroep meer gedaan op hun oorspronkelijke kwaliteiten. Wat zij doen, kan iedereen. Hun materieel inkomen mag dan gestegen zijn, hun psychisch inkomen is er geweldig op achteruitgegaan. Ook lijden boeren onder de toenemende kritiek van de samenleving. Hun werk wordt steeds minder gewaardeerd. Ze arbeiden in een negatief sociaal klimaat. Het is niet leuk iets te doen, wat via steeds meer artikelen, radio- en televisieprogramma’s, lezingen en cursussen, congressen en fora, zelfs gedichten en preken wordt afgekeurd.

Naast het dier is ook de boer zelf, al zal hij dit meestal krampachtig ontkennen, dupe van de bio-industrie. Wie protesteert tegen het bio-bedrijf, komt daarmee automatisch op voor de weliswaar manipulerende, maar evenzeer ook zélf gemanipuleerde boer.

Een punt apart is de gigantische eiwitverspilling, waaraan de bio-industrie meewerkt. Bij de omzetting van plantaardige eiwitten in dierlijke eiwitten is er een rendementsverlies van 70 tot 90 procent. Door de ongunstige conversie komt er uiteindelijk slechts een fractie van de in het veevoer geïnvesteerde proteïne in de vorm van vlees er weer uit. Officiële cijfers tonen aan, dat in 1972 op deze manier in de Nederlandse veemesterijen en pluimveebedrijven ruim een miljoen ton eiwit verloren ging. Hiermee hadden dertig miljoen mensen in de ontwikkelingslanden een jaar lang geholpen kunnen worden. In Amerika wordt 78 procent van het verbouwde graan in veevoer verwerkt. Al dit graan is direct of na enige bewerking ook voor menselijke consumptie geschikt. Er zijn drie maal zoveel plantaardige eiwitten als nodig voor de voeding van de totale wereldbevolking. De besteding ervan is echter zodanig, dat twee/derde van de mensheid honger lijdt. Er had helemaal geen voedseltekort hoeven te zijn. De overmatige vleesconsumptie van de rijke landen heeft dit tekort kunstmatig opgeroepen. Ook deze, door de FAO en de VN steeds meer beklemtoonde kwestie, is bepaald niet bevorderend voor de arbeidsvreugde van de boer. Hij werkt mee aan een systeem, dat honger veroorzaakt. Verdient de bio-industrie ons àller kritiek, zeker een christen zal krachtig protest aantekenen. Wat hier gebeurt, zowel ten opzichte van het dier als ten aanzien van de boer en de arme landen, kan pertinent niet door de beugel.

Het boek, waaraan een christen zich oriënteert, de Bijbel, belijdt het dier als een schepping van God. Als zodanig heeft het een unieke waarde, een volstrekt eigen integriteit. Het heeft recht van bestaan. Het moet zich kunnen ontplooien, het moet helemaal kunnen leven ‘naar zijn aard’ (Genesis 1). Na de zonvloed sloot God een verbond met Noach, zijn nageslacht op ‘alle levende wezens die bij hem zijn’, ‘alle gedierte der aarde’ (Genesis 9:8-10). Zeer nadrukkelijk presenteert God zich als de partner der dieren. Zoals Hij hen beschermde, toen de aarde door ‘de boosheid des mensen’ (Genesis 6:5) weer ‘woest en ledig’ dreigde te worden, zal Hij hen tegen de boosheid des mensen blijven beschermen. Ze kunnen op Hem aan. Ze horen er bij, tot in lengte van dagen. Zó definitief mogen ze van de partij zijn, dat we hen weer tegenkomen in allerlei profetische toekomstvisioenen. Ook voor de dieren zal de aarde een paradijs worden. Jesaja ziet het al vóór zich : ‘De wolf en het lam zullen samen weiden en de leeuw zal stro eten als het rund’ (Jesaja 65:25). Hoezeer die dieren delen in het heil, blijkt prachtig in Psalm 36 : ‘Mens en dier verlost Gij, HERE’, zingt David. Psalm 84 brengt ons bij, dat ook de mus en de zwaluw bij God onderdak mogen zijn. Ze zijn welkom in de tempel, ze mogen zich koesteren in de warmte van de verzoening.

Aan de vrede, die de engelen in de Kerstnacht bezingen, mogen ook de dieren hun hart ophalen. De komst van de Messias betekent ook hun redding. Dit geldt wel heel direct voor de schapen, die, samen met hun herders, als eersten in de Kerstnacht de vrede van Jezus over zich uitgestort krijgen. Deze schapen behoorden tot de tempelkudden. Eeuwenlang gingen zij de weg van het offer. Plaatsvervangend beeldden zij uit, waartoe de méns geroepen was: onschuld en offervaardigheid. Jezus bevrijdt hen van deze offergang. Hij neemt hun rol over. Hij is nú het lam, dat ‘ter slachting wordt geleid’ (Jesaja 53). Ten overstaan van déze Jezus, de verlosser van mens én dier, roept Johannes de Doper uit : ‘Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt’ (Johannes 1 : 29). Mét de tempelkudden geeft Jezus dieren weer de vrijheid. Genadig ontslaat Hij hen van welke offerande dan ook. Ze mogen hun gang gaan. Hún aandeel in de verzoening hebben ze nu wel volbracht. Hij, het lam bij uitstek, zal hun werk voltooien, definitief maken. Wat ‘Jezus’ komst op aarde betekent voor de dieren komt heel scherp in Jesaja 11:1-10 tot uitdrukking. Behalve over de ‘geringen’ en ‘ootmoedigen’, zal het ‘rijsje uit de tronk van Isaï’ zich ook ontfermen over wolf en schaap, panter en bokje. Alles wat adem heeft zal tot z’n recht komen. De ‘aarde zal vol zijn van kennis des HEREN’. De ganse schepping zal bedekt zijn met vrede.

Juist het Kerstfeest, het feest van het alles- en allen omvattende heil, de niets- en niemand ontziende sjaloom, zal een christen moeten inspireren tot een diep respect voor het dier. Met het oog op Christus ziet hij in het dier een medeschepsel, een onherroepelijk initiatief van God, een beschermeling van de Heilige. Hij heeft mateloos veel te danken aan het dier. Tijden lang onthaalde het God op de gezindheid, die hij, de mens, maar niet kon opbrengen. Als zondeloos en offerbereid lam speelde het dier de rol van de goede herder, die hij had moeten zijn. Op ontroerende wijze overtuigde het God ervan, dat zijn zo teleurstellende wereld tóch nog de moeite waard was.

Voor een christen behoort het dier iets onaantastbaars te zijn. Iets dat koste wat het kost niet de dupe mag worden. Een christen eerbiedigt het dier als een voorloper van Jezus. Het mag niet onder de voet gelopen worden. Wie op het dier trapt, trapt op Jezus. Of : op het hart van God.

Als volgeling van Jezus, die het dier zo barmhartig bevrijdde, zal een christen slechts met de allergrootste schroom de hulp van het dier inroepen. Hij moet daar wel een edel motief voor hebben. Eigenlijk schaamt hij zich er voor. Is hij, na alle dienstvaardigheid van het dier, niet aan de beurt om het dier zijn diensten te bewijzen? Is het niet zijn opdracht als een goede herder namen te geven aan de dieren (Genesis 2: 19), d.w.z. verantwoordelijkheid voor hen te dragen, hun bestaan veilig te stellen?

Een zaak, waar een christen het moeilijk mee zal hebben, is de consumptie van vlees, zeker van het vlees, dat hem door de bio-industrie wordt voorgeschoteld. Vlees van dieren, die geen dier mochten zijn. Vlees van slachtoffers.

Wie het offer van Christus ernstig neemt, wie deel wil hebben aan de alles en allen omhelzende verzoening, kàn geen vlees consumeren van dieren, die, als slachtoffers van onze win- en hapzucht, geen hap van de verzoening hebben geproefd. Dit vlees vervult hen met walging. Het betekent een grove ontkenning van de door Christus ingeluide vrede. Het enige vlees, dat er voor hem overblijft, is het vlees van Jezus’ lichaam. Het is onmogelijk én het verzoeningsfeest van Jezus’ lichaam te vieren én het vlees te eten van een dier, dat in een ónverzoende offerpositie wordt gehouden. Wie warempel als christen onbekommerd het vlees van gemaltraiteerde dieren consumeert, zou zichzelf wel eens een oordeel kunnen eten. Het vlees van een dier, eens een zegen, kan in een vloek verkeren. Behalve christenen, kunnen ook niet-christenen dit aan den lijve ondervinden. In combinatie met andere factoren houdt onze rijkelijke consumptie van het onnatuurlijk gefabriceerde bio-vlees een bedreiging voor onze gezondheid in. Veel van juist in de cultuur van de bio-industrie bijna massaal voorkomende afwijkingen en ziekten zijn mede te herleiden tot ons consumptiepatroon in het algemeen en ons vleesgebruik in het bijzonder.

Een christen dient zich te distanciëren van de zo meedogenloos door de bio-industrie veroverde produkten. De bio-industrie is een belediging voor het dier en daarmee een belediging voor zijn Schepper. Alleen al in naam van het vierde gebod zal een christen het bio-bedrijf moeten veroordelen. Dit gebod claimt immers een periodieke adempauze voor het dier. Het verbiedt uitbuiting. Het dier heeft recht op een wekelijkse vrije dag. In de bio-industrie staat het dier continu, dag in, nacht uit, in dienst, in slavendienst van de mens. Het enige gebod, dat de bio-industrie kènt, luidt : produceren. Het moet een christen wel tegenstaan om zich ook nog uitgerekend met Kerst, het verlossingsfeest ook van het dier, extra veel vlees van het ónverloste dier te laten voorzetten. Met het vlees van het door Christus bevrijde en door ons weer tot slavernij gebrachte dier valt er geen vrede te vieren.

Maar – kunnen we zonder vlees? Inderdaad. En we kunnen zéker zonder het geforceerd verkregen en met smaak- en kleurpreparaten bewerkte vlees, dat de bio-industrie ons opdist. Het is een fabeltje, dat vleesgebruik onontbeerlijk is voor een goede conditie. Tienduizenden en complete volken bewijzen, dat je voortreffelijk vegetarisch kunt leven. Vlees bevat veel eiwit, dat is waar. Maar je kunt ook op tal van andere manieren aan de nodige eiwitten komen. Dit blijkt uit tal van recent verschenen voedingsboeken en receptuur. De recepten, eenvoudige maar ook zeer verfijnde recepten, die ons uit diverse bronnen bereiken zijn werkelijk om van te watertanden. Zich voeden zonder vlees betekent niet zomaar vervallen in een middeleeuwse armoede, maar de zon doen opgaan voor Gods heerlijkheden die Hij rijkelijk aanbiedt. Zo, doorpluis deze eetliteratuur voor smulpapen. Dus boeken voor christenen. Want er màg gesmuld worden. Er valt tenslotte iets te vieren. Speciaal met Kerst mag er wel iets lekkers op tafel gezet worden. Maar iets écht lekkers, d.w.z. iets waar geen onrecht aan kleeft.

HET LIED VAN MENS EN DIER — Melodie : Psalm 46

DE mens leeft niet alleen op aarde, ook dieren zijn door God geschapen, de mus, de vis, de leeuw, het paard, God schiep hen allen naar hun aard.

De dieren hebben recht op leven, God heeft hen met zijn Geest gezegend, Hij houdt zijn oog op hen gericht, zij spelen voor zijn aangezicht.

Wie zal hen liefdevol beschermen, zich aan hen geven als een herder, God gunt de mens de hoge eer om uit te blinken als hun heer.

Hij zal het beeld zijn van zijn Schepper wanneer hij hart voor hen zal hebben, de mens is Gods gelijkenis als hem Gods schepping heilig is.

O God wees ons toch goedertieren, wij zijn geen herders voor de dieren, zij zuchten onder ons geweld, verslagen ruimen zij het veld.

Heillos verlopen onze wegen, de aarde wordt weer woest en ledig, ontferm U over al wat leeft, herschep ons mensen naar uw beeld.

HANS BOUMA Uit : Liedjes van Verlangen Uitg. Zomer & Keuning, Wageningen

HIJ HEEFT PLEZIER IN HEN

Dieren zijn onverdeeld, zij leven uit één stuk, dieren zijn zichzelf,

zij volgen hun aard, aandachtig luisteren zij naar de stem van hun bloed,

de taal van hun lichaam feilloos gaan zij hun weg, zij voldoen aan de verwachting,

dieren zijn scheppingen van God, speelse gedachten waaraan Hij liefdevol vorm gaf,

Hij heeft plezier in hen, nooit stellen zij teleur, hoe goed is zijn schepping,

Hij zegent hen, schenkt hun de kracht tot vermenigvuldiging,

voorgoed mogen zij er zijn, zij hebben recht van bestaan, ze zijn onmisbaar.

HANS BOUMA Uit : Met andere woorden Uitg. J.H. Kok

Onbekend's avatar

Auteur: stefaandewever

in 1982 begon ik met Groene Dag, omdat ik enthousiast was over het project "gezond leven, natuurlijk eten, positief denken". Dat was nieuw voor mij, maar het resultaat zo hoopgevend, dat ik dacht "dat moet iedereen weten" en "hoe heb ik al die jaren zonder Groene Dag geleefd?" Dat wordt voortaan de 'School voor Natuurlijke Gezondheid' waar ook jij voor uitgenodigd wordt: een levenslange school om "het beste van het leven te maken" !

Plaats een reactie