God zorgt voor u

In de inleiding van haar boekje “Het Groene Kruid” beschrijft Esther Bosma op een prachtige manier de zorg van God voor zijn schepping en voor zijn schepselen. De conclusie is: “konden wij maar wat meer op de Here vertrouwen.” :

Het kruid of gewas op het veld, dat we overal om ons heen zien groeien en bloeien, in onze tuin, tussen de straattegels, op het veld of langs de akkers, schiep God met een reden, zoals Hij alles met een reden schiep.

Toen God de mens naar Zijn beeld schiep, gaf Hij hen het zaadzaaiend gewas te eten in de hof van Eden. Maar zij leefden niet alleen van die vruchten. Elke dag kwam God bij hen op bezoek, in de avondkoelte om met hen te spreken (Gen. 3:8). Ze leefden van het “woord dat uit de mond van God uitgaat” (Matth. 4:4), zoals Jezus ons in het Nieuwe Testament raadt. Zolang ze luisterden naar Gods Woord, bleef leven en blijdschap hun deel.

Helaas bleef dit niet zo. Toen Eva in gesprek met de slang kwam, schoof zij Gods Woord terzijde en nam het woord van de slang aan. Het woord van de slang ging lijnrecht in tegen Gods Woord: “…heeft God gezegd: U mag daarvan niet eten… anders sterft u. Toen zei de slang: U zult zeker niet sterven.” Gen. 3:3,4. Aangezien Gods Woord waarheid is en leven schenkt, en het woord van de slang leugen is en dood brengt, leerden Adam en Eva, toen zij naar het woord van de slang luisterden en van de boom van goed en kwaad aten, de dood kennen.

Het kennen van de boom van goed en kwaad deed hen oorzaak en gevolg kennen. Gehoorzaamheid aan Gods Woord zou zegen, blijdschap en leven brengen; ongehoorzaamheid aan Zijn Woord zou daarentegen ellende, verdriet en dood brengen. Dat is wat zij nu zagen: een vloek was over de aarde gekomen, waardoor de natuur veranderde. Deze bracht nu doornen en distels voort, die zij mochten eten. Maar zelfs in de vloek die over de aarde kwam zat een kostbare zegen. En als zij ervoor kozen naar God te luisteren, zou God alles ten goede doen keren. Groot is Gods goedertierenheid en genade!

Uit de natuur leerden zij niet alleen oorzaak en gevolg kennen om een goede keuze te kunnen maken, maar het groene kruid dat zij nu aan hun dieet toegevoegd kregen, gaf hen de mogelijkheid om hun lichaam te reinigen. Na de zondeval kregen ze te maken met angst (ze scholen weg voor God – Gen. 3:8) en verdriet (toen hun zoon Abel gedood werd). Angst, verdriet, zorg en depressie veroorzaken gif- en afvalstoffen in het lichaam, waardoor het lichaam ziek wordt (Spr. 17:22). Maar God gaf zoals altijd, een uitweg. God wist precies wat ze nodig hadden om dit gif uit het lichaam te krijgen. Hij gaf hen het “groene kruid ofwel het gewas van het veld” en liet hen “in het zweet van hun aangezicht brood eten” (Gen. 3:19).

Tegenwoordig wordt dit met mooie woorden genoemd: “detoxen”. In dure wellness centers worden zulke detox-kuren voor veel geld aangeboden . Door middel van zweetbehandelingen en groene chlorofylrijke drankjes van het kruid op het veld, wordt het lichaam ontgift. Maar eigenlijk zijn die detox-kuren oer oud! God gaf ze aan het begin van deze wereld, meteen na de zondeval. Is God niet alwijs en barmhartig?!

God leerde ons in de groei en reinigende kracht van “het groene kruid” nog veel meer mooie kostbare lessen. Als we zien met welke kracht een zaadje ontkiemt en zich zelfs door het asfalt heen weet te boren, zien we Gods almacht! God “sprak en het was er, Hij gebood en het stond er” (Psalm 33:6,9). Die kracht, waarmee God de aarde schiep, laat Hij ook door Zijn scheppingswerken zien. Door de natuur te observeren leren we geloof en vertrouwen te krijgen in Gods scheppende en genezende kracht. De natuur is slechts een middel. Niet het doel. Gods doel is ons door Zijn scheppingswerken geloof te geven. Geloof in dat God onze zonde kan reinigen en ons naar Zijn beeld kan herscheppen.

Door de natuur te bekijken, zien we hoe het zaad afsterft en nieuw leven doet uitspruiten, hoe na de winterkou de blaadjes uit de schijnbaar dode takken beginnen te groeien. Daarin zien we Gods genadig verlossingsplan. Hij wil ons nieuw leven schenken. Hij wil dat we onze dode toestand erkennen en met Hem opstaan. In dit plan wil Hij dat we met Hem samenwerken. Is het niet geweldig om met die grote Schepper en Herschepper te mogen samenwerken?

In alles wat dient tot onderhoud van de mens is de samenwerking van menselijke met goddelijke kracht zichtbaar. Er is geen oogst tenzij de mens zijn aandeel doet in het zaaien van het zaad. Maar zonder de middelen die God geeft in regen en zonneschijn, dauw en wolken, zou er geen groei mogelijk zijn. Zo gaat het ook bij het vormen van ons karakter. Wij hebben een werk te doen, maar de macht van God moet samengaan met ons werk. Zo niet, dan is al onze inspanning vergeefs. Het is en blijft belangrijk onze afhankelijkheid van God te beseffen. Wij zijn Gods medearbeiders (1 Kor. 3:9). Het deel dat de mens doet is heel onbelangrijk vergeleken met wat God doet, maar als wij verbonden blijven met de godheid van Christus, kunnen we “alle dingen doen door Christus die onze kracht is.” (Fil 4:13)

Zo werkte Jezus ook met zijn discipelen. Hij wilde dat ze Hem onvoorwaardelijk zouden vertrouwen. Door naar de natuur te wijzen hoopte Hij geloof in hen op te wekken. Hij wees naar de bloemen en zei: ”Als God het gras van het veld… zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden?” (Matth. 6:30) Christus is steeds bezig dit gebed te beantwoorden en deze verzekering waar te maken. Een onzichtbare macht werkt voortdurend ten behoeve van de mens om hem te onderhouden. Geloof u dat? God houdt van u en is voortdurend bezig om Zijn goedheid aan u te laten zien.

Het is een voortdurend zich verwonderen over Gods natuur, over de kracht die Hij in “het kruid van het veld” gelegd heeft. Dat u daardoor Zijn grootheid en goedheid voor u mag zien weer geloof en vertrouwen Hem mag krijgen. Dat u zich geheel en al aan Hem mag toevertrouwen. Hij is Uw Schepper en Heelmeester/arts (Ex. 15:26).

Zal Hij, die zorgt voor het kruid op het veld, niet veel meer voor u zorgen?

De Exodus en de gezondheidshervorming

Prediking door Taylor G. Bunch over de parallellen tussen het oude en het nieuwe Israël en de Exodus en diegenen die Jezus’ wederkomst verwachten. Wat toen zo belangrijk was, is dat nu ook.

Het doel van de uittocht van het oude Israël was om hen terug te brengen naar het geloof en de gebruiken van Abraham, Izak en Jakob.

Terwijl zij in Egypte waren, hadden zij geleerd om de gruwelen van de heidenen te volgen en waren de bepalingen en voorschriften die hun vaderen toepasten vergeten.

Gezondheidshervorming was een belangrijk onderdeel van de beweging om Egypte te verlaten. De eerste stap in deze hervorming was het verbieden van het eten van vlees dat de Heere onrein had verklaard en een “gruwel” noemde. (Zie Leviticus 11 en Deuteronomium 14). Dit was geen nieuwe bepaling, aangezien het onderscheid al was gemaakt vóór de zondvloed. Deze goddelijke voorschriften werden zorgvuldig in acht genomen door de gelovigen na de zondvloed. 

‘En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen. Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, heb Ik al het groene gewas tot voedsel gegeven. En het was zo.” “En de HEERE God gebood de mens: Van alle bomen van de hof mag u vrij eten.” Genesis 1: 29, 30; 2: 16.

Na de zondeval was de aardbodem vervloekt en daardoor moest de mens leven door te zwoegen in het zweet van zijn gezicht. Toen voegde de Heere kruiden en groenten toe aan zijn dieet. “En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten, is de aardbodem omwille van u vervloekt; met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent; want stof bent u en u zult tot stof terugkeren.” Genesis 3: 17-19. 

Dit aangepaste dieet is Gods ideaal voor Zijn volk tijdens de heerschappij van de zonde. De Heere trachtte Israël naar dit ideaal toe te leiden en dat doet Hij ook nu voor het hedendaagse Israël. Wanneer het Paradijs is hersteld, dan zal het oorspronkelijke dieet volkomen worden hersteld. Degenen die zich voorbereiden op de wederkomst zullen terugkeren tot het aangepaste dieet en daarmee één stap verwijderd zijn van het oorspronkelijke plan. 

Naarmate de rebellie van de mens ten opzichte van God toenam, werden alle beperkingen afgebroken en de mensen begonnen het voorbeeld van de dieren te volgen door het verslinden van hun medeschepselen. De zondige mensen waren niet meer tevreden met voedsel direct uit het plantenrijk, zij begonnen het vlees van lagere schepselen te eten. In een poging om de afvalligheid tegen te houden, maakte de Heere een scheiding tussen de dieren. Hij koos de meest gezonde en verklaarde die “rein” met de toestemming om ze te eten en alle andere als “onrein” en absoluut ongeschikt als voedsel, zelfs een “gruwel”. Maar deze tweede beperking werd snel afgebroken door de rebellen en de afval ging door tot ieder levend schepsel in het dierenrijk werd gebruikt als voedsel. De mensen begonnen zelfs andere mensen te eten. 

Het doel van het evangelie is het herstel van wat verloren is gegaan door de zonde en de mens terug te brengen in zijn oorspronkelijke toestand. De stappen in rebellie en afvalligheid moeten allemaal worden teruggedraaid door degenen die het herstelde Paradijs binnen zullen gaan. Wanneer het evangelie de meest gedegradeerde mensen bereikt, houdt het kannibalisme op. Dan zullen zij de onreine gruwelen, die verboden zijn in de Bijbel, uit hun dieet wegdoen. Wanneer de hervorming, die een volk voorbereidt om het hemelse Kanaän binnen te gaan, is voltooid onder de wederkomst-beweging, zullen alle stappen in voedingshervorming genomen zijn, behalve de laatste die bestemd is voor de volmaakte zondeloze toestand. 

Om Israël terug te leiden tot het oorspronkelijke dieet, gaf de Heere hen Manna. “En heel de gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron in de woestijn. De Israëlieten zeiden tegen hen: Och, waren wij maar door de hand van de HEERE gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze gemeente van honger te laten sterven. Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen. Het volk moet eropuit gaan en de per dag benodigde hoeveelheid verzamelen, zodat Ik het op de proef kan stellen of het naar Mijn wet wandelt of niet.” “De Israëlieten aten veertig jaar lang het manna, totdat zij in bewoond gebied kwamen. Zij aten manna, totdat zij aan de grens van het land Kanaän kwamen.” Exodus 16: 2-4, 35. In Psalm 78: 23-25 wordt het manna “brood van de machtigen”, of “brood der engelen” (NBG) en “hemels koren” genoemd. Het was het voedsel dat gebruikt werd door engelen en ongevallen wezens, het beste voedsel in heel het universum. Er was niets op aarde dat het kon evenaren. Het bevatte meer essentiële voedingsstoffen dan enig ander voedsel dat de mens kent. 

Het manna wordt als volgt beschreven: “Het huis van Israël gaf het de naam manna. Het was wit als korianderzaad, en de smaak ervan was als van een honingkoek.” Exodus 16: 31. “Het manna leek op korianderzaad en de kleur ervan leek op de kleur van balsemhars. Het volk liep overal rond, verzamelde het, en maalde het met handmolens, of stampte het fijn met een stamper. Dan bereidde men het in een pot en maakte er koeken van. De smaak ervan leek op de smaak van baksel in olie.” Numeri 11: 7, 8. Korianderzaad is het zaad van een plant die in het wild groeit in Israël en de omliggende landen. De smaak, geur en kleur waren aangenaam. In feite vergelijk ik manna het meest met een zoete, geconcentreerde bes, gezien zij bedierf wanneer ze werd overgehouden voor de volgende dag.

‘Israël was niet tevreden. Maar de Israëlieten hadden zo’n bedorven smaak als gevolg van hun verblijf in Egypte dat ze zelfs niet tevreden waren met het voedsel van engelen. “Het samenraapsel van vreemdelingen dat in hun midden verkeerde, werd met gulzigheid bevangen; daarom jammerden ook de Israëlieten opnieuw en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven? Wij denken terug aan de vis die wij in Egypte voor niets aten, aan de komkommers, de watermeloenen, de prei, de uien en de knoflook. Maar nu droogt onze ziel uit, er is helemaal niets dan dit manna voor onze ogen!” Numeri 11: 4-6. Zij waren het manna beu en verlangden naar de vleespotten van Egypte, zelfs naar het onreine vlees. Deze opstand tegen de gezondheidsprincipes van de Exodusbeweging begon bij het “samenraapsel van vreemdelingen”. 

De Heere gaf hen niet waar zij naar verlangden en om vroegen, maar gaf hun het reinste van alle reine vleessoorten – wilde kwakkels.

‘Toen hoorde Mozes het volk jammeren, geslacht na geslacht, ieder voor de ingang van zijn tent. En de toorn van de HEERE ontbrandde hevig; ook in de ogen van Mozes was het kwalijk. En Mozes zei tegen de HEERE: Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan en waarom heb ik geen genade gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt?… Waar zou ik vlees vandaan moeten halen om al dit volk te geven? Want zij jammeren tegen mij: Geef ons vlees, zodat wij kunnen eten!” “Toen stak er van de kant van de HEERE een wind op en voerde kwakkels aan vanaf de zee, en verspreidde ze boven het kamp, ongeveer een dagreis naar de ene kant en een dagreis naar de andere kant, rondom het kamp, ongeveer twee el hoog boven het aardoppervlak. En het volk stond op, die hele dag en die hele nacht, en heel de volgende dag, en men verzamelde de kwakkels. Wie het minst had, had tien homer verzameld, en men spreidde ze wijd voor zich uit, rondom het kamp.  Het vlees zat nog tussen hun ‘tanden, voordat het gekauwd was, toen de toorn van de HEERE tegen het volk ontbrandde, en de HEERE bracht het volk een zeer grote slag toe.” Numeri 11: 10-13, 31-33. 

Terwijl ongeveer drie liter manna per persoon per dag voldoende was, waren zij zo begerig naar vlees, dat het minste aantal kwartels dat door één persoon werd verzameld tien homer was. Een homer is een korenmaat van ongeveer 300 liter. Het was hun vraatzucht waardoor de Heere toornig op hen  werd. Zij waren zo hongerig naar vlees dat ze nauwelijks de tijd namen om het te bereiden. Zie Psalm 78: 17, 18, 26-31; 106: 14, 15. De Heere gaf waar ze om vroegen om hun een les te leren. Hun verlangen, gulzigheid en ongehoorzaamheid brachten een uittering voor hun zielen. 

“God gaf het volk datgene wat niet voor hun bestwil was, omdat ze  ernaar bleven vragen; ze waren niet tevreden met die dingen die goed waren voor hen. Hun opstandige wensen werden bevredigd, maar ze moesten lijden onder de gevolgen. Ze aten zonder zich te beperken, en al spoedig kwam de straf op hun vraatzucht. “De Here sloeg het volk met een zeer zware slag”. Velen lagen neer met hoge koortsen, en de voornaamste schuldigen werden gedood terwijl ze het voedsel dat ze geëist hadden, nog aten.” Patriarchen en Profeten, blz. 345.
“Zij verafschuwden het voedsel dat hun werd gegeven en wensten dat zij weer in Egypte waren, waar zij bij de vleespotten konden zitten. Zij verdroegen liever de slavernij en zelfs de dood, dan zonder vlees te moeten leven. God schonk hun het vlees en liet hen eten tot hun gulzigheid een plaag veroorzaakte, waaraan velen stierven.” Counsels on Health, blz. 111.

“Wanneer iemand een opstandige, ongehoorzame zoon heeft die niet naar de stem van zijn vader en naar de stem van zijn moeder luistert, en hij, ook als zij hem gestraft hebben, niet naar hen luistert, moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en naar buiten brengen, naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn woonplaats. Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is opstandig en ongehoorzaam, hij luistert niet naar onze stem, hij gaat zich te buiten en is een dronkaard. Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. Laat heel Israël het horen en bevreesd zijn.” Deuteronomium 21: 18-21. 

“Het woord van God plaatst de zonde van de gulzigheid in dezelfde categorie als dronkenschap. Deze zonde was zo aanstootgevend in de ogen van God, dat Hij Mozes opdroeg dat een kind dat zich op het punt van de eetlust niet liet beteugelen, maar zich volpropte met alles wat zijn smaak maar begeerde, door zijn ouders voor de leiders in Israël moest worden gebracht en gestenigd moest worden. De toestand van de vraatzuchtige werd als hopeloos beschouwd. Hij zou van geen nut zijn voor anderen en was een vloek voor zichzelf. Men kon in niets op hem vertrouwen. Zijn invloed zou altijd anderen besmetten, en de wereld zou beter af zijn zonder zo iemand, want zijn verschrikkelijke gebreken zouden worden doorgegeven.” Counsels on Health, blz. 71.

Deze zonde komt tegenwoordig veel voor en is nu niet minder ernstig dan in de tijd van Israël. Ouders doen weinig of geen moeite om hun kinderen ervan te weerhouden zich vol te proppen. Teveel eten of dronkenschap zijn zonden van de laatste dagen. “Wees op uw hoede dat uw hart niet op enig moment bezwaard wordt door roes en dronkenschap en door zorgen over de alledaagse dingen, en dat die dag u niet onverwachts overkomt.” Lukas 21: 34. 

De juiste basis voor gezondheid. “Hij zei: Als u aandachtig luistert naar de stem van de HEERE, uw God, en doet wat juist is in Zijn ogen, als u Zijn geboden gehoorzaamt en al Zijn verordeningen in acht neemt, dan zal Ik geen enkele van de ziekten over u brengen die Ik over Egypte gebracht heb, want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester.” Exodus 15: 26 (lees ook  Deuteronomium 7: 5-15). Gezondheid hangt af van gehoorzaamheid aan Gods morele en fysieke wetten. Gehoorzaamheid aan de wetten van de natuur is niet voldoende. De belangrijkste invloed voor een gezond leven is een geestelijke ervaring. Het is net zo onmogelijk om volmaakte gezondheid te hebben door gehoorzaamheid aan natuurwetten of door biologisch eten, als het is om verlossing te verkrijgen door menselijke gehoorzaamheid aan de morele wet. Geloof en werken moeten samengaan om zowel gezondheid als verlossing te verkrijgen. Een goede christelijke ervaring is het allerbelangrijkste in gezondheidshervorming. Samen met onze gehoorzaamheid aan gezondheidsbeginselen moet er een goddelijke, wonderwerkende kracht in ons zijn. Dit was het geheim van de gezondheid van de Israëlieten. “Onder hun stammen was niemand die struikelde.” Psalm 105: 37 (zie ook Deuteronomium 8: 4). 

“En deze dingen zijn gebeurd als voorbeelden voor ons, opdat wij niet zouden verlangen naar kwade dingen, zoals ook zij verlangd hebben.” “Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons, en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is.” 1 Korinthe 10: 6, 11. In de tijd van de apostelen hield de gemeente zich aan de regels voor gezondheid en voedselvoorschriften. Toen de gemeente naar Babylon ging leerde ze alle gruwelen te eten van de heidenen of de Babyloniërs. Het doel van de Adventbeweging is Gods volk uit Babylon te roepen en het terug te brengen tot het geloof en de leefwijze van Christus en de apostelen. Het overblijfsel zal geen onrein vlees eten. “Want zie, de HEERE zal komen in vuur,
en Zijn strijdwagens zullen komen als een wervelwind, om in grimmigheid Zijn toorn te laten gelden, Zijn bestraffing in vlammen van vuur. Want met vuur en met Zijn zwaard zal de HEERE een rechtszaak voeren met alle vlees. Zij die door de HEERE dodelijk gewond zijn, zullen talrijk zijn. Zij die zich heiligen en reinigen in de tuinen achter één in hun midden, die varkensvlees eten, afschuwelijk gedierte en muizen, tezamen zullen zij weggevaagd worden, spreekt de HEERE.”
Jesaja 66: 15-17. 
Naarmate wij het einde van de reis naderen en ons voorbereiden om het hemelse Kanaän binnen te gaan, zal de Heere Zijn volk terug trachten te leiden tot het oorspronkelijke dieet dat zij zullen hebben in het herstelde Paradijs.

“Het licht dat God heeft gegeven en zal blijven geven over de kwestie van het voedsel moet voor Zijn volk nu zijn wat het manna was voor de kinderen van Israël. Het manna viel uit de hemel, en het volk werd opgedragen het te verzamelen en te bereiden om gegeten te worden. Zo zal in de verschillende landen van de wereld licht gegeven worden aan het volk van de Heere, en gezond voedsel, geschikt voor deze landen, zal worden bereid… In granen, vruchten, groenten en noten zijn alle voedingselementen te vinden die wij nodig hebben. Als we met eenvoud van geest tot de Heer komen, zal Hij ons leren hoe we gezond voedsel kunnen bereiden, vrij van vlees.” Medical Ministry, blz. 267.’

Gezondheidshervorming is een groot onderwerp dat veel meer omvat dan ons dieet. “Of u dus eet of drinkt of iets anders doet, doe alles tot eer van God.” 1 Korinthe 10: 31. “Alles” omvat ook werkelijk alles. Het omvat beweging, ontspanning, werk, rust, slaap en kleding. Hoewel gezondheidshervorming nauw verband houdt met ons geestelijke leven, is het niet het evangelie. “Want het Koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken, maar uit gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest. Want wie Christus in deze dingen dient, is welbehaaglijk voor God en in achting bij de mensen.” Romeinen 14: 17, 18. 

“We kunnen ons niet naar de hemel eten, want dat zou verlossing door werken betekenen. Maar de manier waarop wij eten, kan ons wel buiten het koninkrijk houden. Zij die lid worden van Gods gezin, zullen eten, drinken en zich gedragen zoals de andere leden van Zijn gezin. Deze dingen maken hen geen burgers van het hemelse koninkrijk, maar vormen het bewijs dat zij burgers zijn. Het burgerschap is een gave van God, terwijl het gedrag een bewijs is van die relatie. 

Er bestaat een nauwe band tussen een sterk lichaam en een sterk verstand en een sterke geest. “Want velen – ik heb dikwijls met u over hen gesproken en zeg het nu ook onder tranen – wandelen als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun god is de buik en hun eer is in hun schande; zij bedenken aardse dingen. Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus.” Filippenzen 3: 18-20. (zie ook 1 Korinthe 9: 24-27). Wij kunnen geen heldere geest hebben zonder een gezond lichaam. In het leger wordt er alles aan gedaan om de soldaten in de best mogelijke conditie te houden. Het is een van de belangrijkste invloeden op het moraal van de strijdkrachten. Atleten weten dat succes afhankelijk is van de strengste matigheid. Zij onthouden zich van alles wat hun lichamelijk zou schaden. ‘
“De vraag hoe wij de gezondheid kunnen bewaren is van groot belang… God wil dat de begeerten gereinigd zullen worden, en dat er zelfverloochening betracht wordt op punten die niet goed zijn. Dit werk dient te gebeuren voordat Zijn volk volmaakt vóór Hem kan staan.” Getuigenissen voor de Gemeente, deel 9, blz. 148, 149.

“Ware matigheid onderwijst ons dat we alles moeten nalaten wat nadelig is, en alleen datgene moeten gebruiken wat gezond is. Weinigen beseffen in hoeverre hun eetgewoonten te maken hebben met hun gezondheid, hun karakter, hun bruikbaarheid in deze wereld, en hun eeuwige bestemming. De eetlust moet altijd ondergeschikt zijn aan zedelijke en verstandelijke krachten. Het lichaam moet de geest dienen, niet omgekeerd.” Patriarchen en Profeten, blz. 511. 

“Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat.” 3 Johannes 1: 2. De gezondheid van het lichaam is afhankelijk van de gezondheid van de ziel. Geestelijke genezing moet eerst komen, omdat het zoveel belangrijker is dan lichamelijke genezing, als het eeuwige leven belangrijker is dan het tijdelijke leven. “Die al uw ongerechtigheid vergeeft, Die al uw ziekten geneest.” Psalm 103: 3. Er wordt ons gezegd dat wanneer we volledig Gods wil doen “dan zal uw licht doorbreken als de dageraad, en uw herstel snel intreden.” Jesaja 58: 8. (Zie Jesaja 58: 1-11; Maleachi 4: 2). 

De oproep tot geestelijke opwekking en geestelijke hervorming is het belangrijkste van alle wegen tot gezondheidshervorming. Dit is de boodschap die de late regen van geestelijke en lichamelijke genezing zal brengen. Dan zal er geen zwakke onder Gods ware volk zijn. Goddelijke wonderwerkende kracht zal samenwerken met gehoorzaamheid aan de gezondheidswetten en een volk voortbrengen “als een wonderteken” in gezondheid en wijsheid, net zoals Daniël en zijn vrienden in het oude Babylon. 
“In lichaamskracht en schoonheid, in verstandelijke vermogens en letterkundige wetenschappen hadden ze geen evenbeeld. Hun rechte houding, de vaste, verende gang, hun helder gelaat, hun onverzwakte zintuigen, de onbesmette adem – dit alles getuigde van goede gewoonten, het waren bewijzen van de adel waarmee de natuur hen eert die haar wetten gehoorzamen.” Profeten en Koningen, blz. 292. ‘

Uittreksel uit: Marian Pel. ‘De Hoeksteen 103’.

De Weg van Grote Vrede

uit De Hoeksteen 103

Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot.” Psalm 119: 165 (SV). 
De wereld moet de vervulling van deze grote waarheid nog zien. De gemeente van God moet het nog in de volste betekenis ervaren. Maar het zal worden vervuld tot vreugde van de gemeente, tot lof en heerlijkheid van God en tot tevredenheid van het toeziende universum. ‘

‘Tot nu toe is er in de geschiedenis van de wereld slechts één Man geweest die dit vers heeft uitgeleefd. Hij had God lief met heel Zijn hart, en ziel, en geest, en kracht. We weten dat de wet van God een afdruk van Gods heilige karakter is en dat Jezus, toen Hij Gods wet uit kwam leven, een demonstratie kwam geven van het karakter van Zijn Vader. 

Het leven van Jezus kan samengevat worden door de volgende woorden:  “Hij nam nooit aanstoot!” De gevoelens van Jezus waren nooit gekwetst, Zijn trots was nooit gekrenkt, Hij voelde Zich nooit beledigd en eiste nooit een excuus – Hij nam nooit aanstoot. 

De reden is eenvoudig. Hij kwam om Gods karakter te demonstreren, en er werd van Hem gezegd: “Ik woon in de hoge hemel en in het heilige, en bij de verbrijzelde en nederige van geest.” Jesaja 57: 15. Jezus was te nederig en te ootmoedig om aanstoot te nemen aan wat mensen Hem aandeden. Hij zegt van Zichzelf: “Ik ben zachtmoedig en nederig van hart”. Zulke eigenschappen van het hart kunnen door trotse en hoogmoedige mensen worden misbruikt zonder gekwetst te worden.

‘Dat was het karakter van God dat Jezus kwam openbaren. De mensen hadden zulke verkeerde ideeën over God dat Jezus bereid was alles te doen om de bedekking van het ongeloof weg te rukken en het ware karakter van hun hemelse Vader te onthullen. Hij deed precies wat God gedaan zou hebben. 

Ellen G. White schrijft dat Hij “de onvermoeide Dienaar was van de noden van de mensen”. Laten we Hem stap voor stap volgen op Zijn weg van nederigheid en zachtmoedigheid, terwijl Hij bij elke stap de ondergeschikte taken van een dienaar verricht voor het welzijn van iedereen die Hij ontmoet, en zo een openbaring geeft van Zijn Vader. Wij zien Hem in de wereld komen, niet aangekondigd door de koningen van de aarde, niet geboren in een paleis, niet gewikkeld in satijn en kant en gelegd in een gouden wieg, maar Hij werd in een stal geboren, omringd door dieren, in de goedkoopste doeken gewikkeld en in een kribbe gelegd. Alleen zo kon Gods karakter worden geopenbaard. Dit is onbeschrijflijke nederigheid. Dit is een openbaring van Gods wet. Dit is de weg tot “grote vrede”.

Wij zien Hem opgroeien tot een volwassen man, niet in de weelde en het comfort van een koninklijke familie, niet met goed betaalde privé onderwijzers en luxe overeenkomstig Zijn afkomst. Hij groeide op in een eenvoudig huisje, en werd onderwezen door een eenvoudige jonge vrouw, en Hij hielp Zelf om in de behoeften van het arme gezin te voorzien door te werken in een eenvoudige werkplaats. 

‘Hij geeft Zichzelf onophoudelijk in werken van liefde “om te genezen wie gebroken van hart zijn, om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezichtsvermogen, om verslagenen weg te zenden in vrijheid.” In drie en een half jaar heeft hij meer gediend dan enig ander mens in een heel mensenleven, waarvoor Hij als beloning meestal bespot, bedreigd, beledigd, bekritiseerd en verkeerd voorgesteld werd. Hij gaf nooit op of raakte nooit ontmoedigd, maar wanneer iemand leed die Hij kon helpen, dan was Hij er. Geen afstand was te groot voor Zijn voeten, geen geval te ontaard voor Zijn medelevende hart, geen bedreiging te ernstig om Hem te belemmeren in Zijn daden van barmhartigheid. Iedere vraag om hulp werd beantwoord, iedere smeekbede werd gehoord, “Hij leefde om anderen te zegenen”. In dit alles werd het eigen Ik vergeten. Er was geen tijd, geen plaats en geen noodzaak voor zelfbehagen. Het eigen Ik kwam nooit naar voren in Zijn leven en werd dus ook nooit gekwetst door alle laster en onvriendelijkheid die over Hem werd uitgestort. Hij had het leven ten volle lief, want “Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot”. Hij hield van ieder moment van Zijn onzelfzuchtig leven, want voor Hem was dit het leven. Het was slechts een voortzetting van dat grote leven van onvermoeide dienstbaarheid dat Hij bij de Vader had voordat de wereld bestond. Hij kon zeggen “Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen; Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.”

Zoals de zon overvloedig zijn zegeningen van licht en warmte uitgiet over de aarde en zich nooit terugtrekt, hoewel de nietige mens zijn weldadigheid kan geringschatten of onderwaarderen, zo was het ook met Jezus. Als de Zon der Gerechtigheid kwam Hij op met genezing onder Zijn vleugels, om de zegeningen van Zijn leven als een licht te geven en de wereld te verwarmen met Zijn liefde. En niets kon Hem van Zijn stuk brengen, niets kon Zijn liefde verstoren en niets Zijn onzelfzuchtige bedoeling krenken om de lijdende mensheid te zegenen en te helpen. 

We zien Hem het heerlijke hoogtepunt bereiken in Zijn streven om “de Vader te tonen”. Zij bevonden zich in de bovenzaal om het Pascha te eten. Het was een warme dag geweest en ze waren moe van de reis en vuil van de stoffige wegen. Zij konden zich in deze toestand niet verheugen in de zegeningen van de avond. Hun voeten moesten worden gewassen, maar wie zou zijn hart verootmoedigen voor zo’n nederige taak? Petrus niet, de jongeren zouden zijn positie moeten respecteren en het voor hem doen. De begaafdheid van Judas hield hem tegen, het was te vernederend voor de wijste van de apostelen. Johannes niet, de ouderen moesten hem, als de jongste, het goede voorbeeld geven. 

Er was geen vrede in hun harten, alleen de onrust van trots die botste met het geweten, terwijl ze allemaal de waskom en de linnen doek ontweken. Dit was geen probleem voor Jezus. Hij had geen trots om neer te halen. Er was geen strijd in Zijn hart. Hij nam de linnen doek en het water en knielde voor hen neer en waste die vuile voeten. Door dat te doen deed Hij wat God gewoonlijk doet. In deze geweldige daad van neerbuigendheid openbaarde Jezus de Vader. 

Dit was niets nieuws, maar een openbaring voor ons zwakke verstand van Gods houding ten opzichte van Zijn hele schepping. God was altijd al bezig geweest met het “wassen van de voeten” van iedereen in Zijn universum. Hij leefde om anderen te zegenen. Hij heeft hen geschapen zodat Hij aan hen kon geven. Hij schiep hen om Zijn liefde over hen uit te storten. 

God is de gewillige dienaar van Zijn schepping. Hij buigt Zich neer om te voorzien in iedere materiële en geestelijke behoefte, en dat doet Hij overvloedigen zonder ophouden. Hij geeft Zijn leven om te zegenen, te onderhouden, te dragen en vreugde te schenken aan de bewoners van ontelbare werelden. Hij was te nederig om dit feit te verkondigen en Zichzelf te openbaren aan Zijn kinderen. Maar op deze aarde werd drieëndertig en een half jaar lang het gordijn opzij geschoven, en de Eniggeborene van de Vader openbaarde dat wat door de eeuwen heen verborgen was geweest. Die nacht in de bovenzaal werd het universum verlicht met de glorieuze openbaring van Gods karakter zoals die nooit eerder was gezien. 

Maar een nog een grotere daad zou de openbaring van Gods nederigheid, zoals die werd gezien in de bovenzaal, overstijgen. Op de rotsachtige heuvel Golgotha zag het universum met ontzag en verbazing de hoogte en de diepte, de lengte en de breedte van Gods nederigheid en zachtmoedigheid, toen Jezus het kruis verdroeg en schande verachtte. Daar, opgeheven tussen de aarde en de hemel, voor beide om te aanschouwen, was de machtigste openbaring van Gods gewilligheid om te geven. “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij… gegeven heeft.” En in Zijn geven hebben wij enig inzicht gekregen in Zijn wet van ultieme liefde. We zagen de weg van overwinning over trots en het eigen ik, we zagen de weg van vrede – grote vrede.

Alleen wanneer we naar deze taferelen kijken, kunnen we hopen Gods wet te begrijpen en lief te hebben. Zijn wet is geen reeks beperkingen, of een ontmoedigende serie verboden, maar de weg van liefdevolle dienst aan anderen, de weg van “geen aanstoot”. 

De gebeurtenissen voor de kruisiging: het spuwen in Zijn gezicht, het uitrukken van Zijn haar, de wrede behandeling door de soldaten, de vernedering en schande, spreken duidelijk tot u van de uiterste inspanning die God zal doen om Zijn liefde voor u te bewijzen, door het tonen van Zijn wet in daden. Zijn wet is onzelfzuchtige, liefdevolle, nederige dienstbaarheid, die geen rekening houdt met de gevolgen voor zichzelf bij het dienen van de behoeftigen. De zonde zorgde voor een grotere noodzaak voor God om Zijn wet nog duidelijker te laten zien. Deze gedoemde wereld was de achtergrond van grote menselijke nood, waartegen Gods demonstratie van Zijn grote liefde afstak. De duisternis van onze zonde en ellende werd een heerlijk tafereel dat des te volmaakter Gods bereidheid toonde om tot elke diepte af te dalen en Zichzelf op te offeren teneinde te dienen, te helpen, te verheffen en tot het uiterste te gaan.
Het kruis bevestigde Gods wet voor Zijn schepping. Zr. White schrijft: “God te kennen is Hem lief te hebben”. Toen Jezus’ leven van onzelfzuchtig dienstwerk tot het hoogtepunt van het kruis kwam, begon heel het universum God te kennen zoals ze Hem nog nooit hadden gekend. Zij zagen Zijn wet in actie. Zij zagen in het onwankelbare, onvermoeibare en onzelfzuchtige leven van Christus de onveranderlijke wet van het universum aan het werk. Toen begrepen zij God en hadden Hem lief vanwege Zijn weergaloze gave, en door Hem lief te hebben vervulde de vrede die alle kennis te boven gaat heel Zijn universum, want “grote vrede hebben zij die Uw wet beminnen, en zij hebben geen aanstoot.” We zouden kunnen zeggen dat het nooit anders was geweest, maar dat is niet zo. Er was een tijd dat er “oorlog was in de hemel”, en die oorlog beïnvloedde heel het gebied van Gods schepping. Satan had hen wijsgemaakt dat zij door God werden misleid en dat Hij weliswaar deed alsof Hij vriendelijk en liefdevol voor hen was, maar dat ze in werkelijkheid onder de ijzeren heerschappij van een hardvochtige dictator stonden, die hen op straffe van de dood tot strikte gehoorzaamheid dwong, en dat God van hen getrouwheid eiste, maar dat Hij Zelf niets gaf.

Een derde van de engelen in de hemel geloofde het, en “nam aanstoot” aan wat zij beschouwden als Gods misleiding. Hoeveel andere schepselen van God genoeg “aanstoot” hebben genomen om een vraagteken in hun geest achter te laten, zullen we nooit weten. Maat het leven van Jezus en Golgotha namen de twijfel weg. Het nam de bedekking van ongeloof weg en zij zagen God in Zijn wet. De vrede van volledige en volmaakte liefde voor, en het vertrouwen in hun grote hemelse Vader was hersteld, en zij begrepen als nooit tevoren dat wie “Uw wet beminnen, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot.” Daarom kan de zonde nooit een tweede keer ontstaan. 

Er bleef nu nog slechts één ding over, en dat was de gemeente op aarde op dezelfde wijze te overtuigen zoals de hemel. Daarom is er de drie-engelenboodschap, om een volk op te roepen op Gods wet te zien en te begrijpen, en dat bereid is om die wet door Hem in hun hart te laten schrijven. Voor dit doel is er een deur geopend tot in het binnenste van het hemelse heiligdom, en door deze opening heeft God stralen van licht, liefde en kennis laten neerdalen over Zijn gemeente, zoals dat nog nooit eerder aan stervelingen was gegeven.

Hij heeft hun het Lam getoond “dat verwond was en bloedde” – het eeuwige beginsel van Zijn gewilligheid om alles te geven – in de hoop dat zij Zijn liefde zullen beantwoorden. En dat zullen ze ook! Gods volk zal Hem alsnog kennen en Hem liefhebben, en alles opgeven om Zijn naam te verheerlijken. Zo’n volk wordt getoond in Openbaring 7 en 14. Zij hebben Zijn naam, Zijn zegel en Zijn karakter, en tot Zijn lof zullen zij het kruis van dienstbaarheid opnemen. Voor hen is de doop met vuur bewaard, bekend als de “tijd van benauwdheid zoals er nog nooit is geweest”. Alles wat goddelozen en duivels kunnen bedenken zal tegen hen worden gezegd en hen worden aangedaan, maar zij zullen, net als Jezus, niet falen noch ontmoedigd worden, want zij zullen het geheim hebben geleerd: “Die Uw wet beminnen, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot.’

Uit: Marian Pel. ‘De Hoeksteen 103

Spreken met God

Bidden is het openen van het hart voor God als voor een vriend. Niet dat bidden nodig is om aan God bekend te maken hoe het met ons gaat. Het gebed opent de deur voor God en laat Hem binnen komen in ons leven. Het gebed doet God niet afdalen naar ons toe, maar brengt ons omhoog tot Hem. Toen Jezus op aarde was, leerde Hij Zijn discipelen hoe te bidden. Hij toonde hen hoe ze hun dagelijkse noden bij God konden brengen en hoe ze al hun zorgen op Hem konden leggen. De zekerheid die Hij hen gaf, dat al hun gebeden gehoord zouden worden, geldt ook voor ons.

Onze behoefte om te bidden

Jezus was zelf vaak in gebed toen Hij Zich onder de mensen bevond. Hij identificeerde Zich met onze behoeften en onze zwakheid. Hij smeekte Zijn Vader om nieuwe kracht, om verfrist Zijn plichten en moeilijkheden aan te kunnen. In alle opzichten is Hij ons voorbeeld. Hij is een broeder in onze zwakheden, “in alle opzichten verzocht zoals wij”, maar Zijn natuur verafschuwde het kwaad en Hij was de Zondeloze. Hij had het hard te verduren in een wereld vol van zonde. Zijn mens-zijn maakte het gebed tot een noodzaak én een voorrecht. Hij vond troost en vreugde in de gemeenschap met Zijn Vader. De Verlosser van de mens, de Zoon van God, kon niet zonder voortdurend, ernstig gebed. Des te meer hebben wij het als zwakke en zondige stervelingen nodig!

Onze hemelse Vader ziet er naar uit om ons overvloedig te zegenen. Het is ons voorrecht om met volle teugen te drinken uit de bron van oneindige liefde. Wat is het toch vreemd dat we zo weinig bidden. God staat klaar om het ernstige gebed van Zijn nederige kinderen te verhoren, en toch aarzelen wij vaak om Hem onze noden bekend te maken. Wat moeten de engelen in de hemel er wel van denken, als hulpeloze en aan verzoeking onderhevige mensen, zo weinig bidden? Dit terwijl Gods liefdevolle hart naar hen uitgaat en bereid is om hen meer te geven dan ze zouden kunnen vragen of bedenken. De engelen houden ervan om zich in aanbidding voor God te buigen en in Zijn nabijheid te zijn. De gemeenschap met Hem is hun grootste vreugde. Maar de mensen die Gods bijzondere hulp zo goed kunnen gebruiken, zijn blijkbaar tevreden zonder het gezelschap van Zijn verlichtende Geest.

De sleutel tot overwinning

Het leven van hen die het gebed verwaarlozen, wordt door zonde verduisterd. Zij kunnen de ingefluisterde verleidingen van de vijand niet weerstaan, omdat zij geen gebruik maken van de voorrechten die in de goddelijke gave van het gebed liggen. Waarom zijn Gods kinderen terughoudend om te bidden? Het gebed is immers de sleutel waarmee de gelovige de schatkamer van de hemel opent. Daar liggen de onuitputtelijke hulpbronnen van de Almachtige opgeslagen. Als we niet aanhoudend bidden en waakzaam zijn, lopen we het gevaar zorgeloos te worden en af te wijken van het rechte pad. De tegenstander probeert steeds om de weg naar verzoening met God te blokkeren, opdat we niet door ernstig gebed in geloof, de genade en kracht zouden ontvangen om aan de verleiding te weerstaan.

Bid in een kamer waar u alleen bent en laat ook tijdens uw dagelijkse bezigheden uw hart zich dikwijls tot God richten. Op die manier wandelde Henoch met God. Deze stille gebeden stijgen als kostbare wierook op tot voor de troon van genade. Iemand van wie het hart zo met God verbonden is, kan door de Satan niet overwonnen worden.

Voorwaarden van gebed

God verhoort en beantwoordt onze gebeden als die aan bepaalde voorwaarden voldoen. Een belangrijke voorwaarde is dat we onze afhankelijkheid van Zijn hulp beseffen. Hij heeft beloofd: “Ik zal water uitgieten op het dorstige, en waterstromen over het droge land” (Jesaja 44:3). Wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, wie naar God verlangen, mogen er zeker van zijn dat ze verzadigd zullen worden. Het hart moet openstaan voor de invloed van de Geest, anders kunnen Gods zegeningen niet ontvangen worden.

Onze grote nood is op zichzelf een argument dat krachtig voor ons pleit. Maar we moeten de Heer zoeken en vragen of Hij deze dingen voor ons wil doen. Hij zegt: “Vraag en er zal je gegeven worden” (Matteüs 7:7). En: “Zal Hij, die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem omwille van ons allen heeft prijsgegeven, ons met Hem niet alles schenken?” (Romeinen 8:32).

Als we iets verkeerds in ons hart koesteren of als we bewust aan een bepaalde zonde vasthouden, zal de Heer ons niet verhoren. Maar het gebed van iemand die berouw heeft, wordt altijd aanvaard. Als we al het verkeerde dat we ons kunnen herinneren in orde maken, mogen we gelovend vertrouwen dat God onze gebeden zal beantwoorden. Onze eigen verdiensten zullen ons nooit bij God in de gunst brengen. Het zijn de verdiensten van Jezus waardoor wij gered worden, en het is Zijn bloed dat ons reinigt. Toch hebben ook wij een bijdrage te leveren door te voldoen aan de voorwaarden om aanvaard te kunnen worden.

Een ander aspect voor gebedsverhoring is het geloof. “Wie God wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat, en wie Hem zoekt zal door Hem worden beloond” (Hebreeën 11:6). Jezus zei tot Zijn discipelen: “Daarom zeg ik jullie: alles waarom jullie bidden en vragen, geloof dat je het al ontvangen hebt, en je zult het krijgen” (Marcus 11:24). Nemen wij Hem op Zijn woord?

Niets te zwaar voor God om te dragen

Maak steeds uw verlangens, vreugde, verdriet, zorgen en vrees bij God bekend. U kunt Hem nooit overbelasten. U kunt Hem nooit vermoeien. Hij, Die de haren van uw hoofd telt, staat niet onverschillig tegenover de noden van Zijn kinderen. “De Heer is immers liefdevol en barmhartig” (Jakobus 5:11). Wanneer wij verdriet hebben, wordt Zijn liefdevol hart daar meteen door geraakt. Ga met alles wat u niet kunt oplossen naar Hem toe. Niets is voor Hem te zwaar om te dragen. Hij houdt immers de werelden in stand, en Hij heerst over alle aangelegenheden in het universum. Hij is opmerkzaam voor het kleinste detail dat ook maar iets met ons welzijn te maken heeft. Er is geen hoofdstuk in ons levensverhaal, dat te donker is voor Hem, om het te kunnen lezen. Er is geen probleem zo moeilijk, dat Hij er niet uit kan komen. Onze tegenslagen, bezorgdheden en angsten, wat ons blij maakt en onze ernstige gebeden… niets gaat onze hemelse Vader onopgemerkt voorbij, zonder dat het Hem raakt. “Hij geneest wie gebroken zijn en verzorgt hun diepe wonden” (Psalmen 147:3). De relatie tussen God en elk individu is zo duidelijk en volledig, alsof er geen ander mens was, voor wie Hij Zijn geliefde Zoon heeft gegeven.

E. White – Uit het boek ‘Steps to Christ’, in het Nederlands gekend als ‘De enige weg’.

Lees ook: Ongelofelijke antwoorden op gebed – een aangrijpend persoonlijk getuigenis van Roger Morneau

Een Verboden Hoofdstuk

Verleden week hebben we gewezen op een passage uit Daniël 5 als de hoeksteen van de” profetie in het verwijzen naar Jezus identiteit. Maar er is nog een ander bijbelhoofdstuk waarop een Vloek rust. Dat is Jesaja 53 – het ‘verboden’ hoofdstuk uit de Bijbel

De 17e-eeuwse joodse historicus, Raphael Levi, zei dat lang geleden de rabbijnen Jesaja 53 lazen in synagogen, maar toen het hoofdstuk “argumenten en grote verwarring” had veroorzaakt, besloten de rabbijnen dat het eenvoudigste zou zijn om die profetie gewoon uit de de Haftaralezingen in synagogen te houden. Daarom stoppen ze als ze Jesaja 52 lezen in het midden van het hoofdstuk en de week daarna springen ze meteen naar Jesaja 54.

Wat is er met Jesaja 53, vraag je misschien af?

In Jesaja 53 profeteert de profeet over de Messias dat Hij verworpen zou worden door zijn volk, zou lijden en sterven in doodsangst en dat God zijn lijden en dood zou zien als een verzoening voor de zonden van de mensheid.

Jesaja leefde en profeteerde omstreeks 700 vC.

Volgens zijn profetie in hoofdstuk 53 zouden de leiders van Israël erkennen dat ze een fout hadden gemaakt toen ze de Messias verwierpen, dus Jesaja zette de profetie in de verleden tijd en omdat hij zichzelf zag als een deel van het volk van Israël, gebruikte hij de meervoudsvorm (wij).

AAN HET EINDE VAN HOOFDSTUK 52 SCHRIJFT JESAJA EEN INLEIDING BIJ HOOFDSTUK 53:

“Zie, mijn knecht zal voorspoedig zijn…”

De term ‘knecht’ wordt verondersteld terug te gaan naar gedeelten eerder in het boek die spreken over ‘de dienaar van de Heer’ (bv in de hoofdstukken 42, 49 en 50, waar de Messias wordt beschreven als een dienaar die lijdt).

“Hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn.”

Dit is om de verhevenheid van de Messias te benadrukken die zou opstaan uit de dood, en opstijgen naar de hemelen om naast de Vader plaats te nemen. Zijn acties zouden Hem een hogere status geven dan elke menselijke koning of heerser.

‘Zoals velen zich over u ontzet hebben – zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte.’ Voordat de Messias verheven werd, zou Hij lijden en vernederd worden. Zijn lichaam zou zo erg mishandeld en gemarteld worden dat hij misvormd en onherkenbaar zou zijn. “Zo zal Hij vele volken doen opspringen, om Hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij.” Ondanks het verschrikkelijke lijden, zou de dag komen dat koningen Hem met eerbied zouden aanschouwen.

EN DAN HOOFDSTUK 53 ZELF…

“Wie gelooft, wat wij gehoord hebben?” Dit beschrijft het gebrek aan geloof onder het volk van Israël dat niet gelooft wat ze hebben gehoord. Of, het was te ongelofelijk om het te geloven…

“en aan wie is de arm des Heren geopenbaard?” Jesaja noemt de Messias de “Arm des Heren”. Eerder, in hoofdstuk 40, verklaart Jesaja dat de “Arm des Heren” voor hem zou heersen. In hoofdstuk 51 stelden de heidenen hun hoop op de “Arm des Heren”, en de “Arm des Heren” zou verlossen. In hoofdstuk 52 brengt de “Arm des Heren” redding. Nu, in 53, openbaart Jesaja ons dat de “Arm van de Heer” in feite de Messias is. De Messias is deel van God zelf.

“Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; Hij had gestalte noch luister, dat wij Hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij Hem zouden hebben begeerd.”

Hij was een scheut in geestelijk droge grond – er was al 400 jaar geen woord van God geweest.

Hij sprak ons niet aan. We wilden Hem niet. Zijn uiterlijk was niet glorieus of indrukwekkend, en de manier waarop Hij verscheen, zorgde er niet voor dat mensen naar Hem verlangden. In tegenstelling tot wat de rabbijnse Halacha leert, zou de Messias volgens deze profetie niet geboren worden in een prestigieuze rabbijnse familie of opgroeien in de residenties van rijke rabbijnen. We kunnen met zekerheid zeggen dat de uiterlijke verschijning van de Messias helemaal niets bijzonders was.

“Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.”

Het leven van de Messias werd gekenmerkt door pijn, afwijzing en lijden. Hij kreeg niet de eer als de Messias, maar werd veracht en afgewezen door de leiders van zijn volk. Ze beschouwden Hem als een sociaal buitenbeentje, iemand voor wie we ons gezicht zouden verbergen, als iemand die we op straat tegenkomen en waarvoor we ons schamen om Hem te zien. We dachten niet dat Hij het was.

“Nochtans, onze ziekten heeft hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden Hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.” De Messias leed in onze plaats – Hij droeg onze ziekten, ons lijden, onze pijn … en de zonden die we begaan, terwijl wij dachten dat Hij gestraft werd, en dat zijn lijden Gods straf was voor de zonden die Hij zelf had begaan. We begrepen niet dat het voor ONZE zonde was.

“Maar om onze overtredingen werd hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden.”

Zoals iemand die gewond is neergevallen, of iemand die met kogels is doorschoten – niet door zijn eigen schuld, maar het was onze fout. Hij werd verpletterd vanwege onze onrechtvaardigheden, onze zonden – de straf die we verdienden, kwam op Hem. Op precies deze manier, honderden jaren later, werd de profetie vervuld. Jezus ging naar het kruis om de dood te dragen die wij verdienden. We zijn schapen die zijn afgedwaald. Israël negeerde Hem en ging zijn eigen weg. Hij werd onderdrukt en Hij werd gekweld, maar Hij deed Zijn mond niet open. Zijn waardigheid en het recht op een eerlijk proces werden hem ontnomen. Hij verzette zich niet tegen zijn onterechte vonnis. Hij probeerde niet in opstand te komen of te ontsnappen, en zonder weerstand te bieden aan de onrechtvaardigheden, onderging Hij dit vreselijke vonnis.

Een doodvonnis. Niet voor zijn eigen misdaden, maar die van zijn volk. De Messias zou niet voor zijn eigen zonde sterven, maar voor de zonde van zijn volk – de straf voor hun zonden nam de Messias op zich. Zijn generatie zou hem niet ter sprake willen brengen, maar wou zijn bestaan onder het tapijt vegen. De afgelopen 2000 jaar is Jezus de Messias – het best bewaarde geheim in het jodendom geweest, en dit is waarom hij in het jodendom als “Yeshu” werd bestempeld, wat staat voor “Moge zijn naam en herinnering worden uitgewist”.

Uit : Houvast 1 / 2022

De Verboden Profetie

Time Magazine schreef ooit: “… de meest opmerkelijke figuur – niet alleen in deze twee millennia, maar in de hele menselijke geschiedenis – is Jezus van Nazareth geweest.” Onze grootste kunstwerken, gedichten, muziek en literatuur zijn aan Hem gewijd of opgedragen. Zelfs opera’s zoals Jesus Christ Superstar uit de jaren 70 zetten hem centraal. Door Hem is de tijd zelfs verdeeld in vC en nC. Meer recent trok de fictieve afbeelding van Jezus in de Da Vinci Code de aandacht van miljoenen mensen over de hele wereld en werd een bestseller waarvan 80 miljoen exemplaren werden verkocht in 2009 die in ten minste 44 talen is vertaald. Maar was Jezus echt? Is Hij geloofwaardig? Deze vragen zijn onderzocht in een uitgebreid artikel van Dr. Nancy Vhymeister – The Jesus of History

Dat artikel onthult dat zowel historische documenten als archeologie aantonen dat niet alleen Jezus van Nazareth een echte persoon was die 2000 jaar geleden leefde, maar dat de voorstelling van Hem en Zijn beweringen in het Nieuwe Testament serieus genomen moeten worden. Maar was Hij wie Hij en de schrijvers van het Nieuwe Testament beweerden dat Hij was – de Messias of Christus, de Almachtige God in menselijk vlees (zie Matteüs 26:63-65; Johannes 1:1-3,14; 4:25,26; 10:30; 14:9; Openbaring 1:8,17,18; 22:12,13)? Dergelijke beweringen confronteren ons met de conclusie van C.S. Lewis: Jezus moet een leugenaar zijn geweest (om te beweren God te zijn, als Hij wist dat Hij dat niet was), of een gek (om zulke wilde beweringen te doen), of wie Hij zei Hij was – de Here God. Aangezien Zijn leven onthult dat Hij noch “krankzinnig” noch “slecht” (een leugenaar) was, is er enig bewijs voor de derde mogelijkheid – dat Hij is wie Hij beweerde te zijn – God in menselijk vlees.

Twee lijnen van bewijzen wijzen op het feit dat Hij God was in menselijk vlees. Ten eerste is er het profetische bewijs. Bijbelgeleerden hebben meer dan 300 Messiaanse voorspellingen geïdentificeerd in de boeken van het Oude Testament, zoals de Psalmen, Jesaja, Daniël, Micha en Zacharia. Al deze voorspellingen werden oorspronkelijk gedaan vóór 425 voor Christus (geschatte datum van Maleachi, het laatste boek van het Oude Testament) en bevatten profetieën zoals Zijn: geboorteplaats; manier van geboorte; verraad voor 30 zilverstukken; kruisiging en opstanding. De nieuwtestamentische documenten beweren talloze keren dat deze profetieën in vervulling zijn gegaan in het leven van Jezus van Nazareth (bijvoorbeeld Mattheüs 1:22; 2:15; 26:54; Lukas 4:21; 24:44). De Dode Zeerollen, voor het eerst ontdekt in 1947, bevatten delen van elk boek van het Oude Testament, behalve het boek Esther. Hun ontdekking heeft twee dingen aan het licht gebracht:

1. Het Oude Testament van de huidige Bijbel is in wezen hetzelfde als dat van de Dode Zeerollen;

2. Aangezien de Dode-Zeerollen gedateerd zijn op 100 – 200 jaar vóór de tijd van Christus, zijn de profetieën die ze bevatten over de Messias duidelijk geschreven lang voordat Jezus van Nazareth verscheen.

Eén zo’n profetie, gevonden in hoofdstuk 9 van het boek Daniël, voorspelde dat de Messias zou optreden in 27 na Christus en gedood zou worden tussen 27 en 34 na Christus. Jezus beweerde zelf de vervulling te zijn van deze ongelooflijke tijdprofetie toen Hij verkondigde na Zijn doop in 27 na Christus, “De tijd is vervuld …” (zie Marcus 1:15; Lucas 3:122; Handelingen 10:38). Met andere woorden Hij beweerde de Messias van Daniël 9 te zijn, wat ook een claim was God in menselijk vlees te zijn (zie Johannes 4:25,26; Mattheüs 26:63-65). Dat is de reden waarom de grote Engelse wetenschapper en wiskundige, Sir Isaac Newton, die een fervent student in bijbelprofetie was, toen hij sprak over Daniël 9:24-27, zei dat het “de hoeksteen van de christelijke religie” is, omdat het onthult dat Jezus de Messias of Christus is, God in menselijk vlees. Het verklaart ook waarom sommige Joodse rabbijnen deze vloek uitspreken over degenen die deze passage lezen: “Mogen de geesten van degenen die proberen de laatste tijd [van Maschiach’s komst] te berekenen, vergaan” (Sanhedrin 97B, geciteerd in hoofdstuk 12 van Hilchos Melachim uit de Mishneh Tora van Rambam).

De tweede bewijslijn dat de historische Jezus God in menselijk vlees was, zijn de talloze levens door de eeuwen heen die zijn veranderd door een aanvaarding van Jezus en zijn leringen.

Alexander Bolotnikov nam deel aan het archeologische opgravingsproject Madaba Plains in de buurt van Amman, Jordanië in 1996. Als vroom lid van de communistische Sovjetpartij ontdekte hij dat zijn aanvraag om de universiteit van Moskou te bezoeken werd afgewezen, simpelweg omdat hij een jood was. Gedesillusioneerd verliet hij de partij en begon hij zijn joodse afkomst te verkennen. Gedurende deze tijd van zijn zoektocht naar zin in het leven, liet iemand hem Daniël 9:24-27 zien. Onmiddellijk zag Bolotikov dat Jezus van Nazareth de vervulling was van deze ongelooflijke profetie en dus de Christus, God in menselijk vlees. Door zijn leven in de handen van God te leggen, vond hij een nieuwe betekenis in het leven, samen met hoop voor de toekomst.

De Jezus van de geschiedenis confronteert ons allemaal.

C.S. Lewis zei het zo: “Ik probeer te voorkomen dat iemand het werkelijk dwaze ding zegt dat mensen vaak over Hem zeggen: ik ben bereid Jezus te accepteren als een groot moreel leraar, maar ik accepteer niet zijn bewering dat hij God. Dat is het enige dat we niet mogen zeggen. Een man die slechts een man was en het soort dingen zei dat Jezus zei, zou geen groot moreel leraar zijn. Hij zou ofwel een gek zijn – op hetzelfde niveau als de man die zegt dat hij een gepocheerd ei is – of anders zou hij de duivel van de hel zijn. U moet uw keuze maken. Of deze man was, en is, de Zoon van God, of anders een gek of iets ergers. Je kunt hem de mond snoeren voor een dwaas, je kunt naar hem spugen en hem doden als een demon of je kunt aan zijn voeten vallen en hem Heer en God noemen, maar laten we niet komen met enige neerbuigende onzin over dat hij een grote menselijke leraar is . Dat heeft hij ons niet opengelaten. Hij was het niet van plan” (C.S. Lewis, Mere Christianity, London: Collins, 1952, p.54-56).

overgenomen uit : ARCHAEOLOGICAL DIGGINGS MAGAZINE.