Wat is dat met de ziel?

Hebben mensen een onsterfelijke ziel?

Het zal u misschien verbazen dat de algemene opvatting dat de mens een onsterfelijke ziel heeft (of is), geen leer is die uit de Bijbel afkomstig is.

De dood is een realiteit van het leven, ook al denken we er liever niet over na. De dood kan ingrijpend zijn en ons scheiden van familie en vrienden. We willen graag geloven dat er iets beters wacht op een overleden dierbare – dat hij of zij naar een “betere plek” is gegaan.

Wat er na de dood gebeurt, is een mysterie. Dit wordt nog ingewikkelder gemaakt door de overtuiging van de meeste mensen dat de dood niet echt het einde van het leven betekent. Zowel christenen als niet-christenen gaan er doorgaans van uit dat de ziel van een goed mens bij het overlijden direct naar de hemel (of een andere eeuwige beloning) gaat, terwijl de ziel van een slecht mens in de brandende vlammen van de hel (of een andere plaats van eeuwige straf) terechtkomt om daar eeuwig te worden gepijnigd.

Die opvatting berust op de onjuiste aanname dat ieder van ons een onsterfelijke ziel is die in een fysiek lichaam leeft, en dat de ziel blijft voortbestaan ​​wanneer het lichaam sterft. Als dat waar zou zijn, zou de ziel na de dood ergens naartoe moeten gaan – en zo komen we bij de gangbare ideeën over hemel en hel.

De werkelijkheid ziet er echter heel anders uit. We moeten begrijpen wat het doel van het leven is en waarom we sterven. Wanneer we begrijpen waar het bij leven en dood om draait, kunnen we weten dat er inderdaad iets veel beters wacht op degenen die gestorven zijn – maar waarschijnlijk niet wat u dacht. De Bijbel maakt duidelijk dat de ziel niet onsterfelijk is en dat een mens na de dood noch naar de hemel, noch naar de hel gaat.

De bijbelse definitie van een ziel

In Genesis 2:7 lezen we: “En de HEERE God vormde de mens uit het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; en de mens werd een levend wezen.” (een levende ziel)

Merk op dat er in dit gedeelte niet staat dat Adam een ​​ziel kreeg of dat er een of andere levensvorm, een ‘ziel’ genaamd, in hem werd geplaatst. Er staat dat hij een levende ziel werd (in het Hebreeuws: *nephesh*).

Mensen zijn levende wezens die door God, via de schepping, op wonderbaarlijke wijze de gave van het leven hebben ontvangen. Zowel de ervaring als de Schrift leert ons dat ieders leven eindigt in de dood. Maar wat gebeurt er daarna?

Kort na zijn schepping werd Adam gewaarschuwd dat zijn leven hem ontnomen zou worden als hij ongehoorzaam zou zijn aan God door te eten van de vrucht van een bepaalde boom in de Hof van Eden: “Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven” (Genesis 2:17).

Wat bedoelde God toen Hij Adam waarschuwde dat hij zou “sterven”?

Niet lang na die waarschuwing aten Adam en Eva van die boom en kregen ze te horen: “In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u terugkeert naar de aardbodem, want daaruit bent u genomen; want stof bent u en tot stof zult u terugkeren” (Genesis 3:19). Er staat hier niet dat alleen hun lichamen zouden sterven. Ondanks moderne opvattingen is er in de Bijbel geen aanwijzing te vinden dat een soort geestelijke ziel in een andere vorm, op een andere plaats of in een andere dimensie zou voortleven.

De oorsprong van de leer van een onsterfelijke ziel

Het was in feite Satan (voorgesteld als een slang) die tegen Eva loog en haar vertelde dat ze niet zou sterven als ze van de vrucht van de boom zou eten: “Toen zei de slang tegen de vrouw: ‘U zult zeker niet sterven. Want God weet dat op de dag dat u daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden en u als God zult zijn, kennende goed en kwaad'” (Genesis 3:4-5).

Door Eva te misleiden, probeerde Satan Gods gezag te ondermijnen door te beweren dat het negeren van Zijn instructie niet tot de dood zou leiden, maar dat zij, net als God, het vermogen zou hebben om te beslissen wat goed en kwaad is. Satan suggereerde ook dat zij, net als God, niet zou sterven. Met andere woorden: Satan introduceerde het concept van de onsterfelijke ziel.

Satans misleiding is de standaard van het christendom geworden, overgenomen uit de overtuigingen van oude heidenen. De online editie van de Catholic Encyclopedia stelt:

“Egypte levert al in een zeer vroeg stadium overvloedig bewijs van een uiterst levendig en intens geloof in een leven na de dood. Offers van allerlei soorten voedsel aan de geesten van de overledenen, uitgebreide begrafenisrituelen en de wonderbaarlijk vakkundige mummificatie van de lichamen van de overledenen getuigen allemaal van de kracht van de overtuiging van de Egyptenaren omtrent de werkelijkheid van het hiernamaals“ (artikel “Immortality”).

Hetzelfde artikel vermeldt ook dat de Griekse filosoof Plato in de vierde eeuw v.Chr. de leer van de onsterfelijkheid van de ziel populair maakte:

“Het was echter in de handen van zijn [Socrates’] grote leerling Plato dat de leer haar meest uitvoerige filosofische uiteenzetting en verdediging kreeg. … Voor Plato is de ziel een wezen dat volledig losstaat van het lichaam; ze verhoudt zich tot het lichaam zoals de stuurman tot het schip of de wagenmenner tot de wagen. De rationele ziel is de eigenlijke ziel van de mens. Het is een goddelijk element, en juist dit is onsterfelijk.”

In de Phaedo stelde Plato: „De ziel, waarvan leven een onafscheidelijke eigenschap is, zal nooit het tegenovergestelde van leven — de dood — toelaten. Zo wordt aangetoond dat de ziel onsterfelijk is, en omdat ze onsterfelijk is, ook onverwoestbaar” (Plato the Teacher: Being Selections From the Apology, Euthydemus, Protagoras, Symposium, Phaedrus, Republic and Phaedo of Plato, 1897, p. 449). Over de dood redeneerde hij verder: „Is dit [de dood] iets anders dan de scheiding van ziel en lichaam? … Dood zijn is het bereiken van deze scheiding, waarbij de ziel in zichzelf bestaat en van het lichaam gescheiden is” (pp. 425-426).

Voor deze opvatting wordt geen andere bron aangevoerd dan Plato’s eigen logica. Wat bijna universeel wordt geloofd en onderwezen, is niet afkomstig uit de Bijbel, maar gebaseerd op de redeneringen van deze heidense Griekse filosoof, die honderden jaren vóór de geboorte van Jezus leefde.

Wie Hij was

De Romeinse gouverneur van Judea, Pontius Pilatus, zag zichzelf voor een moeilijke situatie gesteld toen Jezus voor hem werd geleid. Hij probeerde de confrontatie die zich voor zijn ogen ontvouwde weg te drukken. Toen Pilatus de aanklacht hoorde, maakte dit hem bang. “Omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd” (Johannes 19:7).

Pilatus’ vraag verraadde zijn angst, dat hij niet met een gewoon mens te maken had. Hij had zojuist een bericht van zijn vrouw ontvangen, waarin zij meedeelde dat zij in een droom een waarschuwing had ontvangen om zich niet met deze onschuldige man in te laten (Mattheüs 27:19). Pilatus wist dat Jezus aan hem was overgeleverd omdat de priesters verbitterd en jaloers op Hem waren en Hem verachtten (vers 18). Toch kon Pilatus niet aan zijn ontmoeting met het noodlot ontkomen.

Hij stelde aan Jezus de vraag: “Waar komt U vandaan? ” (Johannes 19:9). Pilatus wist al dat Hij uit Galilea kwam. Maar het ging hem er niet om uit welk gebied deze Joodse leraar afkomstig was. Pilatus wilde weten waar Hij werkelijk vandaan kwam. Jezus zweeg. Zijn claim dat Hij de Zoon van God was, had de vraag al beantwoord. Maar Pilatus kon dat antwoord niet accepteren.

Dat zou het hele verschil in de wereld hebben gemaakt. De apostel Paulus zei dat geen van de leiders van deze wereld werkelijk wist wie Jezus was, waar Hij vandaan kwam en wat het doel van Zijn komst was. “Immers, als zij die gekend hadden, zouden zij de Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben” (1 Korinthe 2:8).

Pilatus kon niet met dit inzicht omgaan. Hij wist op dát moment wat juist was, maar hij was bang om zijn macht te verliezen. Hij was bang voor Caesars reactie als hem zou worden gerapporteerd dat hij niets deed aan de situatie, waarbij iemand een dreiging vormde voor de Romeinse controle over die regio (Johannes 19:12). Hij was bang voor een opstand als hij niet zou toegeven aan de eisen van de Joodse leiders. Hij was ook bang voor Jezus, omdat hij er niet zeker van was met Wie hij te maken had.

Uiteindelijk won het politieke eigenbelang. Alles was klaar om zowel de mensheid aan te klagen vanwege hun zonden als om te voorzien in hun vergeving. Pilatus gaf de opdracht om Jezus te kruisigen. De waarheid werd ontkend; en iedereen zou daar op een later moment mee worden geconfronteerd.

De meesten proberen onprettige waarheden te negeren en keuzes te maken, waarvan we denken dat deze goed voor ons zijn. Zou u een werkelijkheid, die voor u te moeilijk te aanvaarden zou zijn, onder ogen durven zien als u met bewijs omtrent de ware identiteit van Jezus geconfronteerd zou worden? Diep van binnen zouden we realiseren dat het ons leven, zoals we dat nu kennen, zou veranderen. Dus wellicht is het maar beter – zo redeneren we dan – om niet te diep in deze materie te duiken en onszelf een uitweg (excuus) te verschaffen. Dat is de route die Pilatus bewandelde. Maar kennen we ook de consequenties?

Geen twijfel mogelijk

“Twijfel je wel eens aan je geloof?”, vroeg Erv Taylor ooit aan  Clifford Goldstein.

“Niet echt,” mompelde hij, en haalde zijn schouders op. “Niet meer zo vaak, en als ik het al doe, wuif ik het snel weg als irrationeel.”

“Irrationeel?” (nadruk op de eerste lettergreep).

“Ja,” antwoordde hij, “want gezien wat ik geloof en de ervaringen die ik heb gehad, is twijfelen het meest irrationele wat ik kan doen.”

Terug naar het begin

Laten we groot beginnen: het bestaan ​​van God. In Conjuring the Universe beweert de atheïst Peter Atkins dat het universum uit het niets is ontstaan. En om er zeker van te zijn dat we begrijpen wat hij met ‘niets’ bedoelt (in tegenstelling tot de ‘nietsen’ die bij anderen aan de basis van het universum liggen, zoals gebieden van vals vacuüm, kwantumfluctuaties of zwaartekracht), legt hij uit: “Voortaan versta ik onder ‘niets’ absoluut niets. Ik bedoel minder dan lege ruimte… Dit Niets kent geen ruimte en geen tijd. Dit Niets is absoluut niets. Een leegte zonder ruimte en tijd. Totale leegte. Leegte voorbij de leegte. Het enige wat het heeft, is een naam.” Vanuit dit uitgangspunt formuleert hij zijn kosmogonische doel: “Ik wil aantonen dat het Niets de grondslag van alles is.”

Atkins ontkent het bestaan ​​van God; de theorie dat alles uit het niets is ontstaan, blijft voor hem dus de enige logische optie. Waarom?

Welke natuurkundige formule ook – hoe fundamenteel of onverbiddelijk feitelijk ook – wordt aangewezen als de oorzaak van alles, als de verklaring voor het hele geschapen bestaan, de vraag blijft: waarom deze formule en niet een andere? Datgene wat die specifieke formule verklaart (wat impliceert dat het uiteindelijk niet het meest fundamentele feit was), moet op zijn beurt weer verklaard worden door iets dat eraan voorafging, en zo gaat het maar door. “Wanneer alles wordt verklaard door een x die zelf niet wordt verklaard,” schreef Søren Kierkegaard, “dan is er uiteindelijk helemaal niets verklaard.”

Slechts twee opties lijken ons te redden uit de eindeloze maalstroom van een oneindige regressie: een eeuwig bestaande God die geen verklaring behoeft omdat Hij er altijd al was; of ‘niets’, dat evenmin een verklaring behoeft (het is immers niets). Maar omdat Atkins elke vorm van godheid uitsluit, betekent dit dat ‘niets’ – een leegte zonder ruimte en tijd, een volstrekte leegte, een leegte voorbij alle leegte – het universum en alles daarin heeft voortgebracht. Die theorie zelfs maar als ‘irrationeel’ bestempelen, is haar echter meer geloofwaardigheid toedichten dan ze verdient; daarom is God als Schepper de enige logische optie.

En omdat deze God ruimte, tijd, materie, energie en alle natuurwetten die deze beheersen heeft geschapen, moet Hij groter zijn dan die wetten; Hij is er niet aan gebonden, maar staat erboven en is eraan ontstegen. Er is dus geen sprake van een logisch probleem met de wonderen die in de Schrift worden beschreven. De maagdelijke geboorte, doden die opstaan, Jezus die over het water loopt, vuur uit de hemel… dit zijn voorbeelden van God die, na de natuurwetten te hebben geschapen, tijdelijk buiten die wetten om handelt. De logica vereist weliswaar niet dat Hij dat doet, maar wel dat Hij daartoe in staat is.

Ondertussen verzekeren sommige wetenschappers ons – gesteund door collegiaal getoetste publicaties (evenals laboratoriumexperimenten en veldwerk) – dat al die verbluffende schoonheid en complexiteit in de natuur, hoewel ze duidelijk op intelligent ontwerp wijzen, in werkelijkheid geen van beide zijn. Maar logica en rede zeggen: nee, ze zijn wel degelijk ontworpen, en nog intelligent ook. Een iPhone – die (uiteraard) ontworpen is – is niet zo ingewikkeld of complex als een rozenstruik (welke iPhone leeft er immers en kan zich voortplanten?), en toch wordt ons verzekerd dat de rozenstruik niet ontworpen is, ook al is dat overduidelijk wel het geval.

Kiezen we voor rauwe, onomstotelijke logica en rede die schreeuwen om een ​​Ontwerper, of voor menselijke speculaties over gebeurtenissen die naar verluidt miljoenen of zelfs miljarden jaren buiten ons bereik liggen – gebaseerd op een theorie die net zo onlogisch is als het idee dat het universum „uit helemaal niets” is ontstaan?

Profetie als bewijs

Dan is er nog de bijbelse profetie. Alleen al Daniël 2 biedt een logisch fundament voor het geloof dat net zo omvattend is als de wereldgeschiedenis zelf, en net zo onveranderlijk en onwankelbaar als het verleden. Zelfs als men kijkt naar de gekunstelde poging om Daniël van zijn profetische kracht te beroven door het boek eeuwen later te dateren dan Daniël zelf deed (kom op, hoe zou iemand die – naar men beweert – anderhalve eeuw vóór Christus schreef, het moderne Europa van nu zo nauwkeurig kunnen beschrijven? [zie Daniël 2:41-43]) – alleen iemand die vastbesloten is niet te geloven, zou het rationele bewijs kunnen verwerpen dat Daniël 2 levert, niet alleen voor Gods bestaan, maar ook voor Zijn regie over de toekomst.

Toen Jezus vóór Zijn kruisiging met Zijn discipelen sprak – in een tijd dat de christelijke kerk nog slechts bestond uit een handjevol van Zijn bonte schare volgelingen – deed Hij de voorspelling: “Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen nooit voorbijgaan” (Mattheüs 24:35). Het is al lastig genoeg om van een gebeurtenis op de hoogte te zijn een dag, een week of een maand voordat deze plaatsvindt. Maar het feit dat u deze woorden leest – woorden die tweeduizend jaar geleden werden uitgesproken, toen Christus en Zijn bonte gezelschap naar menselijke maatstaven allang in de vergetelheid hadden moeten zijn geraakt – vormt op het moment van lezing opnieuw de vervulling van een verbazingwekkende bijbelse profetie; dit geeft ons nog meer rationele redenen voor ons geloof.

Het historische bewijs voor de opstanding van Jezus is inmiddels zo overtuigend en rationeel, dat juist het verwerpen ervan – en niet het aanvaarden – een sprong in het irrationele geloof vereist. Slechts één voorbeeld (andere zijn nog veel vergezochter): Jezus was inderdaad gekruisigd, maar – zo luidt het argument – ​​Hij overleefde het, en de verschijningen na de kruisiging vormden uiteindelijk de basis voor het verhaal van de opstanding. Met andere woorden: hoewel Jezus was afgetuigd, gekruisigd en doorstoken met een speer, en vervolgens in linnen gewikkeld en in een grot met een grote steen voor de ingang was gelegd, wist Hij zich drie dagen later uit de linnen doeken te wurmen, de rotsblok te verplaatsen en ongezien langs de Romeinse wachters te glippen. En vervolgens liep Hij – ondanks gaten in Zijn handen, voeten en zij – kilometers lang met twee mannen op weg naar Emmaüs, terwijl Hij hun uitlegde “wat er in al de Schriften over Hemzelf stond” (Lucas 24:27)?

“Na zo’n gruwelijke mishandeling,” schreef Lee Strobel, “met al dat catastrofale bloedverlies en trauma, zou Jezus er zo erbarmelijk hebben uitgezien dat de discipelen hem nooit als een zegevierende overwinnaar op de dood zouden hebben begroet; ze zouden medelijden met hem hebben gehad en hebben geprobeerd hem er weer bovenop te helpen. Het is absurd om te denken dat zijn volgelingen, als hij in die vreselijke toestand aan hen was verschenen, ertoe aangezet zouden zijn een wereldwijde beweging te starten, gebaseerd op de hoop dat zij op een dag ook een opstandingslichaam zoals het zijne zouden krijgen.”

Als een eeuwig bestaande God (in tegenstelling tot het niets) het universum en de natuurwetten die daarin gelden heeft geschapen, dan zou deze God – uit logische noodzaak – niet aan die wetten gebonden zijn. Er is dus geen rationele reden om de mogelijkheid van de opstanding zelfs maar te verwerpen. En aangezien er zoveel historische bevestiging en bewijs voor de opstanding van Jezus bestaat dat men irrationele geloofssprongen (zoals hierboven genoemd) moet maken om ertegen te pleiten, wordt het geloof in Zijn opstanding de meest logische – zo niet de enige logische – keuze.

Persoonlijke Ervaring

Zoals Clifford Goldstein tegen zijn vriend Erv zei: naast mijn overtuigingen maken ook de ervaringen die ik heb opgedaan twijfel irrationeel – waaronder (maar niet uitsluitend) de ervaring die me bijna veertig jaar geleden hielp te ontsnappen aan het dogmatisme van een uitsluitend naturalistisch en materialistisch wereldbeeld.

Ik was 23 jaar oud en liep door een straat in Parijs toen ik uitriep: “God, als U er bent, als U bestaat, moet U zich aan mij openbaren. Ik heb een wonderteken nodig!” (Omdat ik het Nieuwe Testament nog nooit had gelezen, wist ik niet dat “Joden tekenen eisen” [1 Korintiërs 1:22]). Een paar weken later ontmoette ik een man van ongeveer mijn leeftijd, Clifford Goldstein. Clifford Goldstein kwam uit Miami Beach, net als ik. Hij woonde op dezelfde kibboets in Israël waar ik ooit een jaar had gewoond om een ​​boek te schrijven. Hij verbleef ook in dezelfde kamer als ik, en sliep zelfs in hetzelfde bed (er waren er twee). Terwijl ik in een stoel zat te praten met Clifford Goldstein, keek ik op en zag op de boekenplank boven het bed mijn oude boeken staan, precies waar ik ze had achtergelaten, waaronder een dichtbundel (Ariel van Sylvia Plath) die meer indruk op me had gemaakt dan al het andere dat ik in Israël had gelezen.

“Hé, Cliff,” vroeg ik, “vind je mijn boeken leuk?”

“Waar heb je het over?” antwoordde hij. “Dat zijn allemaal mijn boeken.”

“Niet waar,” zei hij, terwijl hij opstond en naar Ariel greep. Dezelfde auteur, dezelfde titel, dezelfde editie, alleen was het zijn boek, niet het mijne.

Ik ging weer zitten, keek Clifford Goldstein aan en zei: “Cliff, ben jij schrijver?”

“Ja,” zei hij, “en ik ben naar Israël gekomen om te schrijven” – precies de reden waarom ik naar Israël was gekomen.

Even later kwam er een meisje de kamer binnen, dat ik nog nooit eerder had gezien. Het was zijn vriendin, een blonde Deense Tine. Toen ik op de kibboets verbleef, had ik een blonde Deense vriendin gehad. Zij heette – jawel – ook Tine.

Toeval?

“Kom op, Cliff,” zei een christen vlak daarna tegen me. “Je vroeg God om tekenen. Wat wil je nog meer? De Heer roept je bij naam!”

Behalve dat ik mijn dubbelganger ontmoette – wat me deed denken: Hm, er zit misschien meer achter de werkelijkheid dan me op de middelbare school tijdens de natuurkundeles was verteld – begon ik occulte ervaringen op te doen en besloot ik me te verdiepen in het occulte en het spiritualisme. Onderweg naar de bibliotheek om een ​​boek over het occulte te halen, ontmoette ik een man die me waarschuwde dat het occulte demonisch was en me een boek gaf. Zo hield ik binnen een kwartier in de ene hand – voor het eerst in mijn leven – een boek over het occulte vast dat ik wilde gaan bestuderen, en in de andere hand – eveneens voor het eerst in mijn leven – het boek dat de man me zojuist had gegeven.

Dat boek? De Grote Strijd

Twee avonden later ging ik in mijn kamer zitten om verder te schrijven aan een roman die mijn bestaan ​​al tweeënhalf jaar volledig in beslag nam. Niets anders deed ertoe dan deze roman; hij beheerste mijn leven meer dan ik het leven van de personages daarin beheerste. Maar die avond, in de herfst van 1979, sprak de Heer Jezus tot mij in de kamer: “Cliff, je hebt lang genoeg met Mij gespeeld. Als je Mij vanavond wilt, verbrand dan je roman.” Hoewel er veel meer is gebeurd dan ik hier kan beschrijven, verbrandde ik de roman, kwam ik tot wedergeboorte in Jezus en werd ik uiteindelijk zevendedagsadventist (en na mijn wedergeboorte keerden die occulte ervaringen nooit meer terug).

Dit waren natuurlijk mijn eigen persoonlijke ervaringen – behoorlijk intens, dat geef ik toe – maar ze maakten deel uit van het proces dat me tot geloof bracht. Gezien deze ervaringen en de eerder genoemde redenen (en andere factoren), is geloof in Jezus voor mij de enige logische en rationele optie.

Natuurlijk laat het woord ‘geloof‘ op zich ruimte voor twijfel – wat heel normaal is en waar we allemaal wel eens mee te maken krijgen. Maar zoals ik tegen Erv zei: gezien wat ik geloof en de ervaringen die ik heb opgedaan, is twijfel eigenlijk het meest irrationele wat ik zou kunnen doen.

Blind Geloof

Evolutionisten vinden het niet leuk als ik dat zeg; ze beweren dat creationisten zoals ik blindelings geloven, terwijl zij zich baseren op wetenschap en feiten. Maar dit misverstaat de aard van evolutie. Het idee van evolutie komt namelijk niet voort uit fossielen, biologie of DNA. Het komt voort uit een interpretatie van fossielen, biologische systemen en DNA vanuit een wereldbeeld dat gebaseerd is op naturalisme (atheïsme). Wetenschappers beginnen met hun wereldbeeld – evolutionair naturalisme – en interpreteren het bewijs in het licht van dat wereldbeeld. Het is een geloofssysteem (eigenlijk een religie) dat op geloof berust. Maar het is blind geloof.
Evolutionisten moeten al deze dingen geloven zonder bewijs:

  • Het leven is ontstaan ​​uit niet-leven… ook al is dit in tegenspraak met de wet van de biogenese.
  • Het ene soort wezen veranderde in een ander soort… ook al is dat nog nooit waargenomen.
  • Natuurlijke selectie kan nieuwe genetische informatie creëren… ook al is dat nog nooit waargenomen. Natuurlijke selectie werkt op reeds bestaande genetische diversiteit.
  • Verschillende, extreem complexe systemen zijn elk meerdere keren geëvolueerd (bijvoorbeeld, vliegen zou minstens vier keer afzonderlijk zijn geëvolueerd).
  • Miljoenen jaren geleden explodeerde het leven in grote diversiteit met slechts enkele ‘voorouders’ in de onderliggende gesteentelagen (dit wordt de Cambrische explosie genoemd).
  • Mensen en mensapen delen een gemeenschappelijke voorouder… ook al neemt het aantal verschillen tussen ons en hen toe met elk nieuw onderzoek!
  • Zacht weefsel is erin geslaagd miljoenen jaren te overleven in het fossiele archief.

En dat zijn slechts enkele van de problemen met evolutietheorieën! Bryan Osborne en Avery Foley van AiG bespraken onlangs de wiskundige kans dat evolutie zou plaatsvinden, en dat benadrukt des te meer het geloof dat aan dit systeem ten grondslag ligt:

Voor u die twijfelt aan het bestaan van God

Laten we, in plaats van te beginnen met de woorden van wetenschappers die er niet bij waren, niet alles weten en vaak fouten maken, beginnen met het Woord van Degene die alles weet, die er altijd is geweest en die nooit een fout maakt. Hij heeft ons de ware geschiedenis van het universum in Zijn Woord gegeven (en de wetenschap bevestigt de Bijbel!).

Iedereen heeft geloof: de vraag is in Wie je gelooft? Is het een blind geloof zonder geloofwaardigheid of een geloof in de Bijbel, dat bevestigd wordt door wat we waarnemen?

Had je graag een stevige basis gehad om je geloof op te bouwen? Raadpleeg dan het NaturEl Flyer-archief met honderden items over Bijbel – Geloof – Schepping -Toekomst…

Ben jij die diamant

In 1905 werd in Zuid-Afrika een enorme diamant ontdekt. ​​Hij kreeg de naam Cullinan en was de grootste diamant van edelsteenkwaliteit die ooit was gevonden. De steen woog 3.106,75 karaat, of 650 gram. Hij werd vernoemd naar Thomas Cullinan, de eigenaar van de mijn waar de steen werd gevonden.

De ruwe steen werd tentoongesteld in een bank in Johannesburg. Vervolgens werd hij naar Londen gestuurd; hij lag opgeborgen in de kluis van het schip RMS Kenilworth Castle en werd dag en nacht bewaakt. Althans, dat leek zo. De steen aan boord van het schip was een vervalsing om dieven op het verkeerde been te zetten. De echte Cullinan-diamant werd per aangetekende post in een eenvoudige doos naar Groot Brittanië gestuurd. 

Koning Edward koos Joseph Asscher uit Amsterdam uit om de steen te slijpen en vorm te geven. Asscher bestudeerde de steen wekenlang voordat hij er vier dagen over deed om een ​​inkeping te maken. Op 10 februari 1908 werd de ruwe steen doormidden gespleten. Na het splijten van de ruwe diamant waren drie mensen acht maanden lang, veertien uur per dag, bezig met het slijpen en polijsten van de negen grote stenen die eruit voortkwamen. Voor elk facet waren druk en precisie vereist, evenals het verwijderen van materiaal dat niet bij de uiteindelijke vorm hoorde.

De belangrijkste steen, de Cullinan I – de ‘Ster van Afrika’ genoemd – is een peervormig geslepen steen van 530 karaat met 74 facetten. Tegenwoordig is hij te zien in Londen, waar hij deel uitmaakt van de tentoonstelling van de kroonjuwelen.

Een facet is een klein, gepolijst vlak van een edelsteen; een zijde die het licht opvangt en weerkaatst. En dat brengt me bij ons allemaal.

Ook ons ​​leven kent vele facetten. We hebben fysieke kenmerken, emotionele patronen, persoonlijkheidstypen, spirituele dimensies, persoonlijke interesses en unieke achtergronden. Er is nooit iemand zoals jij geweest, en er zal ook nooit iemand zoals jij zijn. Niemand heeft precies jouw combinatie van sterke en zwakke punten, ervaringen en kansen. En niemand neemt de plaats in Gods plan in die jij inneemt – of kunt innemen.

Maar net als die grote diamant moeten wij gevormd worden om tot maximale heerlijkheid te komen. Hij wil alles weghalen wat niet naar Christus verwijst, polijsten wat Hem weerspiegelt, en ons vormen tot mensen die de gelijkenis van Christus op een unieke manier uitstralen.

God vormt ons tot Zijn eer

Toen de apostel Paulus terugkeerde van zijn eerste zendingsreis, vernam hij dat enkele dwaalleraars hem waren gevolgd en het oprechte geloof van zijn bekeerlingen in Galatië ondermijnden. Diep verontrust schreef hij een brief aan de Galaten, waarin hij zijn gevoelens vergeleek met die van een moeder tijdens de bevalling: hij leed hevige pijn en verlangde ernaar dat Christus in hen gestalte zou krijgen (Galaten 4:19).

Dit is wellicht de treffendste beschrijving in het Nieuwe Testament van wat de Meester met ons voorheeft. Hij wil dat Christus in ons gestalte krijgt. Hij wil weghakken wat niet bij Christus hoort, polijsten wat Hem weerspiegelt, en ons vormen tot mensen die de schoonheid van Christus uitstralen.Shaw James Patterson is een Schotse predikant van wie werd verwacht dat hij, net als zijn familieleden vóór hem, metselaar zou worden. Zijn leraren moedigden hem niet aan om verder te studeren, maar toch ging hij naar de Universiteit van Glasgow. Hij voelde zich aangetrokken tot het predikantschap. Patterson schreef: “Men spreekt vaak over een roeping; bij mij was het het gevoel dat God stukje bij beetje aan mij aan het werken was. Ik wilde geen predikant worden en voelde me een beetje zoals Jona… Ik wilde carrière maken in de wetenschap. Uiteindelijk beleefde ik een kwellende nacht en moest ik denken aan Jesaja 6: ‘Wie zal Ik zenden… zend mij.’ Ik werd wakker en zei: ‘Oké God, U hebt gewonnen; zend mij, ik doe het.’ Toen ik die beslissing eenmaal had genomen, wist ik dat het de juiste was.”

We kunnen natuurlijk niet allemaal predikanten zijn, maar toch is God bezig met iedereen: Hij hakt en Hij slijpt, Hij kneedt en vormt, Hij duwt en Hij trekt, om uit de ruwe steen of klei het beste te halen wat er potentieel inzit. Maar we kunnen weerstand bieden – Zijn werk verhinderen -neen zeggen de andere kant opgaan zoals Jona, tot we toegeven aan het kloppen aan de deur – en ons hart open zetten voor Gods heerlijke waarheid en die stroom van licht en liefde in ons leven laten openbloeien. Mocht het zo zijn, lieve lezer!

Problemen met evolutie

Komen gunstige mutaties vaker voor dan werd aangenomen?

Ken Ham schrift in zin laatste blog over een nieuwe studie die alles verandert wat evolutionisten over evolutie geloofden! Het lijkt alsof we voortdurend dit soort verhalen op ons bord krijgen! Dit keer onderzocht de studie genetische mutaties en de vraag of deze overwegend schadelijk, gunstig of neutraal zijn; de bevindingen van de onderzoekers waren verrassend. Op basis van eerdere evolutionaire hypothesen blijken veel meer mutaties gunstig te zijn dan voorheen werd gedacht.

Wat betekent dit allemaal? Dr. Georgia Purdom, directeur onderzoek en moleculair geneticus bij AiG, legt uit hoe waarnemingswetenschap aantoont dat evolutionaire ideeën niet kloppen!

De ‘neutrale theorie van moleculaire evolutie’ stelt dat de meeste mutaties voor een organisme noch schadelijk, noch nuttig zijn. Schadelijke mutaties worden door natuurlijke selectie (afsterven!) geëlimineerd en gunstige mutaties zijn zeldzaam; de waargenomen DNA-verschillen tussen organismen zijn dus neutraal.

Er zijn twee grote problemen met die ’theorie’. Wil het ene type organisme evolueren tot een ander type organisme, dan moeten er enorm veel gunstige mutaties optreden. Het probleem is dat gunstige mutaties als zeer zeldzaam worden beschouwd. Daarnaast zijn mutaties afhankelijk van de context: wat in de ene omgeving gunstig is, hoeft dat in een andere omgeving niet te zijn. Neem bijvoorbeeld antibioticaresistente bacteriën. Mutaties die tot resistentie leiden, kunnen gunstig zijn voor bacteriën in een ziekenhuis waar veel antibiotica aanwezig zijn, maar die resistentie heeft wel een prijs.

Diezelfde mutaties leiden tot een achteruitgang, waardoor bepaalde normale functies verloren gaan of worden belemmerd. Als antibioticaresistente bacteriën in een omgeving zonder antibiotica worden geplaatst, zullen ze waarschijnlijk niet effectief kunnen concurreren met andere bacteriën die die mutaties niet hebben.

Om enkele problemen met de neutrale theorie van moleculaire evolutie aan te pakken, stelden de wetenschappers in dit onderzoek de vraag: “Zijn gunstige mutaties werkelijk zo zeldzaam?” Door onderzoek te doen naar eencellige organismen zoals E. coli en gist, stelden ze vast dat gunstige mutaties wellicht heel vaak voorkomen. MAAR ze raken doorgaans niet ‘gefixeerd’ in een populatie (wat betekent dat ze nooit dominant worden binnen die populatie). Waarom niet? Omdat de omgeving waarin ze leven snel kan veranderen; wat in de ene omgeving gunstig is, is dat in de andere dus niet (zoals bij antibioticaresistente bacteriën).

In een artikel over het onderzoek stond:

“De bevindingen wijzen op een dynamischer beeld van evolutie. In plaats van gestaag toe te werken naar een perfecte afstemming tussen organismen en hun omgeving, blijven populaties vaak hangen in een poging zich aan te passen aan omstandigheden die voortdurend veranderen…”

Evolutie lijkt misschien minder op een gestage klim naar perfectie en meer op het achternazitten van een wereld die voortdurend in beweging is. Het lijkt wel alsof evolutie vastzit in een onvermijdelijk hamsterwiel dat nergens naartoe leidt! Als gunstige mutaties vaak voorkomen, maar niet dominant kunnen worden en afhankelijk zijn van de context, hoe kunnen organismen dan de structuren en functies verwerven die nodig zijn om te evolueren tot andere organismen? Evolutionisten zouden kunnen aanvoeren dat tijd de sleutel is. Tijd is echter irrelevant, omdat er een genetisch mechanisme nodig is – en dat hebben ze simpelweg niet.

Met andere woorden: gunstige mutaties – en wat dat inhoudt, is niet wat veel mensen denken – komen wellicht vaker voor dan gedacht, maar ze helpen de evolutie niet vooruit, omdat ze zich door voortdurend veranderende omstandigheden niet in een populatie handhaven. Evolutie beschikt dus niet over een mechanisme om de informatie te creëren die nodig is om een ​​eencellig organisme te laten evolueren tot alle levensvormen die we vandaag de dag kennen -denk maar eens aan de onvoorstelbare hoeveelheid genetische informatie die daarvoor nodig is!.

Daarnaast mogen we niet vergeten dat mutaties (en ook natuurlijke selectie) inwerken op informatie die al bestaat. Er is geen enkel bekend naturalistisch mechanisme dat gloednieuwe, functionerende genetische informatie kan voortbrengen. Dat gebeurt simpelweg niet. Evolutie is niet meer dan een verhaal over het verleden, dat op basis van geloof wordt aangenomen. En waarnemingen uit de wetenschap spreken dat voortdurend tegen!

De informatie in het DNA bestaat omdat God deze vanaf het allereerste begin heeft geschapen, en mutaties bestaan ​​doordat de zondeval de ‘zeer goede’ informatie heeft aangetast die God oorspronkelijk had geschapen. Het bijbelse verslag verklaart wat we waarnemen!