Nog niet zo hopeloos

Verbrande Ziel – Een waargebeurd verhaal 

In 1987 was John O’Leary 9 jaar oud. Hij speelde met vuur en benzine in zijn huis, waardoor een explosie ontstond die zijn hele lichaam verbrandde. 

Artsen gaven hem minder dan 1% kans om te overleven. Hij bracht vijf maanden in het ziekenhuis door, onderging tientallen operaties en verloor al zijn vingers. Zijn situatie leek volkomen hopeloos. De vele moeilijkheden en de terugvallen deden het kind compleet wanhopen en het verloor zijn zin in het leven. 

Terwijl hij compleet ontmoedigd was, kreeg hij na twee weken verblijf in het ziekenhuis, bezoek van de legendarische sportcommentator Jack Buck – gezonden door het schoolprogramma voor gehospitaliseerde kinderen, om te vermijden dat zijn schoolachterstand te ver uitliep – Buck bezocht hem wekelijks en gaf zijn les, zoals hij dat aan ieder kind deed. Na de eerste ontmoeting vertrok hij, groette de verpleegster die hem een hoofdschuddende blik toewierp, die niets anders betekende dan “hopeloos”. De week nadien wachtte dezelfde verpleegster hem op en stelde de vraag: “Wat heb je gedaan?” 

“Wat heb ik gedaan…?” vroeg Buck, “gaat het niet goed met het kind?” “Integendeel”, zei de verpleegster “sinds  je hem bezocht is het beginnen te verbeteren…”

Sinds die dag bezocht Buck hem zeer frequent en praatte op hem in  en beloofde hem een “Jack Buck Day” als hij het zou overleven. Door dat eerste signaal, waarbij dat kind dacht “als ze iemand naar me toe sturen om me wiskunde en engels te onderwijzen, moet mijn toestand nog niet zo hopeloos zijn…” genas John langzaam. [1, 2, 3, 4]

Hij overleefde, leerde schrijven en piano spelen met zijn handen, werd een wereldberoemde motiverende spreker en schreef het bestverkochte boek On Fire. Zijn wonderbaarlijke herstel werd verfilmd als Soul on Fire. 

Maar wat heeft dit te maken met ons geloof? 

Bekijk de aarde als verbrande grond. De zonde heeft hier 6000 jaar lang zo lelijk huisgehouden en het lijkt hopeloos. Mensen worden ziek, sterven en in de korte jaren dat ze leven hebben ze te maken met moeilijkheden, leugens, bedrog, misdaad. Mensen zijn een speelbal in de hand van een meedogenloze macht die maar één objectief heeft: zoveel mogelijk schade toebrengen, doen lijden, vooral diegenen waar het hart nog een beetje op de juiste plaats zit.
Gedurende de eeuwen stuurde God profeten met boodschappen, beloftes, om te bemoedigen, om aan te sporen om te kiezen “voor het leven”. Maar omdat dat niet genoeg was, stuurde God Zijn Zoon voor de transplantatie van het hart. Hij stierf voor ons. Het was Zijn leven voor het onze. Daarom vraagt Hij nog altijd: “Geef Mij je hart”. Als die steen eruit is en in de plaats komt dat warme levende, voelende, begrijpende hart van Eén die weet wat het is om mens te worden… dan weten we dat het niet hopeloos is !

Hij is opgestaan

“Na zijn opstanding verscheen Jezus aan zijn discipelen op de weg naar Emmaüs. „En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” (Lucas 24:27). Dit gesprek greep de discipelen erg aan. Hun geloof werd erdoor gesterkt. Zij waren „wedergeboren tot een levende hoop”, zelfs voordat Jezus zich aan hen had geopenbaard.

Christus wilde hun meer inzicht geven en hun geloof vestigen op „het vaste woord der profetie.” Hij wilde dat de waarheid goed tot hen doordrong, niet alleen omdat deze waarheid door zijn persoonlijk getuigenis werd bevestigd, maar ook vanwege de onbetwistbare bewijzen van de symbolen en beelden van de schaduwdienst en van de profetieën van het Oude Testament. De volgelingen van Christus moesten een geloof hebben waar ze rekenschap van konden afleggen. Dit was niet alleen in hun eigen belang, maar ook in het belang van de wereld, die Christus door hun getuigenis moest leren kennen.

Bij het overdragen van deze kennis wees Jezus, als eerste stap, zijn discipelen op “Mozes en al de profeten”.

Deze uitspraak van de opgestane Heiland toont aan welk belang Hij aan het Oude Testament hechtte.

Er kwam een ingrijpende verandering in het hart van de discipelen toen ze het gezicht van hun geliefde Meester weer zagen! (Lucas 24:32). Zij herkenden in Christus „Hem van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten.” Onzekerheid, angst en wanhoop maakten plaats voor absolute zekerheid en een onwankelbaar geloof. Het spreekt vanzelf dat zij na zijn opstanding „voortdurend in de tempel waren, lovende God.”

De mensen die alleen wisten dat Christus een smadelijke dood was gestorven, verwachtten dat het gezicht van de discipelen door verdriet, verwarring en wanhoop getekend zou zijn. Ze straalden echter van blijdschap en overwinning. De discipelen waren grondig voorbereid op het werk dat vóór hen lag. Zij hadden de zwaarste beproeving die zij konden meemaken aan den lijve ondervonden. Zij hadden gezien dat toen naar menselijke berekening alles hopeloos scheen, het Woord van God toch was uitgekomen. Voortaan zou niets hun geloof nog doen wankelen of hun vurige liefde kunnen verminderen. Toen hun verdriet het ergst was, hadden zij „een krachtige aansporing”; de hoop, „een anker der ziel, dat veilig en vast is.” (Hebreeën 6:18,19).

Zij waren getuige geweest van de wijsheid en kracht van God en waren verzekerd dat „noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.”

Ze zeiden: „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.” (Romeinen 8:3839,37). „Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid.” (l Petrus 1:25). „Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die te rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.” (Romeinen 8:34).

Uit : De Grote Strijd / E.G.White / hoofdstuk: Licht in de duisternis