Licht in de duisternis

Sinds vele maanden is er bij ons een voorleesuurtje. Momenteel zijn we bezig aan De Grote Strijd en gisteravond lazen we het hoofdstuk ‘Licht in de Duisternis’. Dat wou ik graag met je delen :

“Christus was gekomen op de tijd en wijze die de profetie had voorzegd. De woorden van de Schrift waren in elk onderdeel van zijn werk op aarde in vervulling gegaan. Hij had de boodschap van verlossing verkondigd en „zijn woord was met gezag.” Zijn toehoorders waren ervan overtuigd dat het een boodschap uit de hemel was. Het Woord en de Geest van God bevestigden de goddelijke opdracht van zijn Zoon.

De discipelen waren nog altijd door dezelfde grote liefde met hun Meester verbonden. Toch waren zij overweldigd door onzekerheid en twijfel. Door hun verdriet herinnerden zij zich de woorden van Christus over zijn lijden en sterven niet. Als Jezus van Nazareth werkelijk de Messias was, zouden zij nu toch niet overmand zijn door verdriet en teleurstelling? Deze vraag kwelde hun geest toen Christus in het graf lag tijdens de sombere uren op die sabbat tussen zijn dood en opstanding. Hoewel de volgelingen van Christus bedroefd waren, liet God hen niet in de steek. De profeet had gezegd:

„Al zit ik in het duister, de HERE zal mij tot licht zijn… Hij zal mij uitleiden in het licht; ik zal aanschouwen, hoe Hij gerechtigheid oefent.” „Zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht.”

God heeft gezegd: „Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op.” „En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten.” (Micha 7:8,9; Psalm 139:12; 112:4; Jesaja 42:16).

De boodschap die de discipelen in de naam van Jezus brachten, was tot in alle bijzonderheden juist en de gebeurtenissen die zij aankondigden, begonnen zich toen al af te tekenen. „De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen”, was hun boodschap. Bij het verstrijken van „de tijd” – „de zeven weken en tweeënzestig weken dus negenenzestig weken van Daniël 9, die zouden reiken tot op de Messias – was Christus door de Geest gezalfd na zijn doop door Johannes in de Jordaan.

Het Koninkrijk Gods dat nabij was, werd bij Christus’ dood opgericht. Maar dat Koninkrijk was geen koninkrijk van deze wereld zoals zij dachten. Het was ook niet het toekomstige, eeuwige Koninkrijk, dat zal worden opgericht wanneer „het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de hele hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten”, dat eeuwige Koninkrijk waarin alle machten Hem dienen en gehoorzamen. (Daniël 7:27).

In de Bijbel wordt de uitdrukking „het Koninkrijk Gods” zowel voor „het koninkrijk der genade” als voor het „koninkrijk der heerlijkheid” gebruikt. Paulus spreekt over het koninkrijk der genade in zijn brief aan de Hebreeën. Nadat

hij heeft gewezen op „Christus, de hogepriester die kan medevoelen met onze zwakheden”, zegt de apostel: „Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden.” (Hebreeën 4:15,16).

De troon der genade stelt „het koninkrijk der genade” voor, want waar een troon is, is er ook een koninkrijk. Christus gebruikt in veel gelijkenissen de uitdrukking „het Koninkrijk der hemelen” om de werking van Gods genade in het hart van de mensen aan te duiden. De troon der heerlijkheid stelt „het koninkrijk der heerlijkheid” voor.

Christus verwijst naar dit koninkrijk wanneer Hij zegt: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen voor Hem verzameld worden.” (Mattheüs 25:31,32).

Dit koninkrijk ligt nog in de toekomst. Het zal bij de wederkomst van Christus worden opgericht. Het „koninkrijk der genade” werd onmiddellijk na de zondeval ingesteld. Toen werd een plan uitgewerkt voor de verlossing van de gevallen mens. Dit koninkrijk bestond toen op grond van de intentie en belofte van God. De mens kon door het geloof burger van dit koninkrijk worden. Toch werd het pas bij de dood van Christus opgericht. Jezus had immers zelfs na het begin van zijn openbaar optreden kunnen afzien van het offer op Golgotha als Hij ontmoedigd was geworden door de hardnekkigheid en ondankbaarheid van de mensen.

De lijdensbeker trilde in zijn hand in de hof Gethsémane. Hij had op dat ogenblik het bloed dat op zijn voorhoofd parelde kunnen afvegen en de schuldige mensheid in haar eigen ongerechtigheid kunnen laten omkomen. Als Hij dat gedaan had, was er geen verlossing mogelijk voor de gevallen mens. Toen Hij echter zijn leven gaf en de doodskreet „Het is volbracht” slaakte, was de uitvoering van het verlossingsplan verzekerd. De belofte van verlossing die aan het gevallen mensenpaar in het paradijs werd gedaan, was bekrachtigd. Het koninkrijk der genade, dat vroeger beloofd was, werd toen opgericht.

Zo werd de dood van Christus, die de discipelen als de definitieve vernietiging van hun hoop beschouwden, juist de eeuwige bevestiging van hun verwachtingen. Hoewel ze erg teleurgesteld waren door zijn dood, was zijn sterven toch het beste bewijs dat hun geloof juist was. De gebeurtenis die hen met droefheid en wanhoop had vervuld, opende de deur der hoop voor elke afstammeling van Adam. Daarin lag het toekomstige leven en het eeuwige geluk voor al Gods trouwe volgelingen besloten.

Tuin van Eden

We zagen hoe Eden de plaats van ontmoeting van Adam en Eva met God werd, en hoe de tuin van Eden een heilige plaats was – bestemd voor een hoger doel.

Volgens E. White waren Adam en Eva ‘niet alleen kinderen die de vaderlijke zorg van God genoten, maar ontvingen zij ook onderricht van de oneindig wijze Schepper’ (Patriarchen en Profeten, blz. 50).

Degene die de zon, de maan en de sterren had gemaakt, gaf hen informatie over de natuurwetten en andere aspecten van de natuur. Er waren echter ook andere dingen die zij dienden te weten en die direct met hun bestaan samenhingen. 

God zond zijn engelen naar Adam en Eva om hun uit te leggen dat er een ‘grote strijd’ gaande was. Zij kregen te horen van Lucifer, van zijn opstand tegen God, zijn wet en heerschappij. Zij hoorden dat satan uit de hemel was verbannen en dat hij nu in Gods heiligdom in Eden was binnendrongen. 

Omdat Adam Gods vertegenwoordiger op aarde was en namens hem het gezag over deze planeet voerde, had satan al zijn kennis en mogelijkheden ingezet om Adam te verleiden, hem tot zonde te bewegen en zijn positie over te nemen. Lucifer dacht dat de aarde op die manier onder zijn gezag zou komen en dat hij zo een heerschappij zou kunnen instellen die de strijd met God en zijn wet zou kunnen aangaan.

Adam en Eva moeten totaal van hun stuk zijn geweest toen zij de instructies die de engelen hun hadden gegeven helemaal tot zich hadden laten doordringen. Maar wat ze nog niet volledig begrepen, was dat Gods benaderingswijze van de grote strijd opnieuw een demonstratie zou zijn van zijn onmetelijke liefde (Ibid., blz. 33). Na de zondeval van Adam zou de uitkomst van de grote strijd uitgerekend op die plaats worden beslist die de satan als zijn terrein had geclaimd, nadat Adam zijn positie aan de grote bedrieger had overgedragen.

Al voordat zij de hof van Eden verlieten hadden Adam en Eva inzicht gekregen in de grote strijd via het onderricht dat zij daar ontvingen. `Zo werden aan Adam de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van de mensheid geopenbaard, vanaf het moment dat het goddelijke vonnis in Eden werd uitgesproken, tot de zondvloed, en vervolgens tot de eerste komst van de Zoon van God.’ (Ibid., blz. 67).

Het was van cruciaal belang dat Adam en Eva de uiteindelijke oorzaak van de grote strijd zouden begrijpen: de weigering van de satan om aan Gods wet gehoorzaam te zijn. Door tegen Gods wet in te gaan, kwam satan in opstand tegen de heerschappij van God. 

De engelen gaven hun een gedetailleerde uitleg ‘van de geschiedenis van de val van satan en zijn pogingen om hen te vernietigen. Ze lieten zien wat de aard is van de goddelijke regering, die de vorst van het kwade omver probeerde te werpen’ (Ibid., blz. 52).

Maar daarnaast was het van het grootste belang dat het eerste mensenpaar het karakter van Gods wet zou begrijpen — die een verwoording was van zijn liefde. Het was ook essentieel dat zij, net als alle andere bewoners van het heelal, zouden inzien dat zij een proeftijd hadden. Hun geluk was gegrond op de voorwaarde van gehoorzaamheid aan Gods wet. ‘Zij hadden de keuze: gehoorzamen en leven, of ongehoorzaam zijn en sterven’ (Ibid., blz. 53). 

Zij dienden te begrijpen dat gehoorzaamheid aan Gods wet van de kant van zijn schepselen uitdrukking gaf aan hun gehoorzaamheid en dankbaarheid voor alles wat hij hen had geschonken. ‘Volmaakte en eeuwige gehoorzaamheid was de voorwaarde voor eeuwig geluk’ (Ibid., blz. 49). 

Dit alles moesten Adam en Eva weten en alle belangrijke aspecten hiervan werden hun in het heiligdom in Eden doorgegeven.

Eden een plaats van veiligheid en van Gods genade

Het heiligdom van Eden was een plaats waar Adam en Eva zich veilig konden voelen. Lucifer zette alles op alles om hen te vernietigen, maar zijn enige kans was gebruik maken van de boom van kennis van goed en kwaad. Zolang de bewoners van de hof van Eden wegbleven bij die boom waren ze veilig. 

Lucifer kon hen niet overal in de hof achtervolgen met de verleiding zich van hun Schepper af te keren. Eden was een veilige haven waar ze beschermd waren tegen zijn boze plannen.

Gods instructies over de verboden boom waren glashelder: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven’ (Genesis 2:16-17). 

We weten echter dat Eva zich buiten de veiligheidszone begaf en slachtoffer werd van het bedrog van de duivel. Toen Adam zag, dat hij zijn geliefde vrouw zou kwijtraken, volgde hij haar in de ongehoorzaamheid aan Gods richtlijnen. Het gevolg was dat het mensdom in de zonde verstrikt raakte.

Maar God liet de mensheid niet in die staat. Voor het eerst werd het heiligdom van Eden nu de plek waar een preek werd gehoord over genade: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen (Genesis 3:15, NBV ’51). 

In deze bemoedigende woorden vinden we de contouren van de diensten van het draagbare heiligdom van de tijd van Mozes en van de tempel van Salomo. 

In het ‘vermorzelen’ van de hiel ontdekken we een symbolische aanduiding van de dierenoffers die zouden verwijzen naar Jezus’ offer aan het kruis. Het ‘vermorzelen’ van ‘de kop’ duidde op het lot van de bok op de Grote Verzoendag — een verzekering dat satan eindelijk uitgedelgd zou worden en de zonde ten einde zou komen. 

In het heiligdom van Eden vinden we een eerste openbaring van Gods plannen voor de verlossing van de mens en het einde van de zonde. Lucifer had het doen voorkomen alsof God enkel en alleen geïnteresseerd was in zijn eigen glorie en genoegdoening. De vraag die op die noodlottige dag in Eden aan de orde werd gesteld, was: Zou de liefde van de Vader en de Zoon voor de mensheid groot genoeg zijn om de mate van zelfverloochening en de geest van offerbereidheid te tonen, die nodig waren om de mens te redden uit de klauwen van Lucifer? (Ibid., blz. 70). 

In Genesis 3:15 vinden we het antwoord op die brandende vraag — een overtuigend ‘ja’. En dat ‘ja’ werd bevestigd en werd realiteit toen Jezus uitriep aan het kruis: ‘Het is volbracht!’

Toen Adam en Eva werden geschapen, was hun status maar weinig minder dan die van de engelen. Gods plan voor het herstel van het menselijk geslacht omvat echter een verbazingwekkende ervaring voor allen die hem trouw blijven. ‘Allen die in de kracht van Christus de aartsvijand van God en mens overwinnen, zullen in de hemelse hoven een status ontvangen die uitstijgt boven die van de engelen die nooit in zonde zijn gevallen.’

Lucifer beraamde in een vlaag van jaloezie de vernietiging van de mensheid. Adam en Eva leefden in een toestand van volmaakt geluk en ervoeren Gods liefde voor hen. Lucifers lot was troosteloos, want hem wachtte eeuwige verdoemenis. Toen Adam eenmaal in zonde was gevallen en niet langer rechtstreeks met God kon communiceren en uit het heiligdom van Eden was verdreven, was satan vastbesloten om Adams nageslacht uit welk heiligdom dan ook, dat uitzicht bood op herstel, weg te houden.

wordt vervolgd