Heeft Jezus echt bestaan ?

Een wetenschappelijke analyse   

Veel mensen antwoorden op de vraag ‘wie is Jezus’ dat Hij slechts een verzonnen figuur is en nooit echt bestaan heeft. Deze mensen gaan voorbij aan de vele buitenbijbelse bronnen die over Jezus geschreven hebben. Daarom een kort overzicht:

Plinius
Het meest volledige en interessante verslag over het Christendom komt uit de pen van Plinius de Jongere. Hij was gestuurd door keizer Trajanus om het gouverneurschap van de provincie Bithynia in Noord-Turkije op zich te nemen, in het jaar 112 na Christus. Wij mogen dankbaar zijn voor het feit dat hij een typisch bureaucratische geest had en de keizer van iedere opmerkelijke gebeurtenis op de hoogte bracht.
Eén van deze brieven gaat over het Christendom. Hij vertelt dat hij overal waar hij kwam in zijn provincie christenen vond, ook in dorpjes en landelijke districten. Bovendien was hun snel groeiend aantal een belangrijk sociaal probleem geworden. Heidense tempels hadden wegens gebrek aan belangstelling moeten sluiten. Er werden geen offerfeesten meer gegeven en er was geen vraag meer naar offerdieren. Het is duidelijk dat het Christendom aan het eind van de eerste eeuw sterk in beweging was, zelfs in zo’n achteraf-provincie aan de grens van het Romeinse wereldrijk. Afkeuring van godsdienstige zijde en economische sancties waren er niet in geslaagd haar opmars te stuiten, totdat Plinius aan de macht kwam en aan zijn superieur rapporteerde dat hij het mogelijk achtte, onder zijn capabel beheer, verandering in deze situatie te brengen. Degenen die het christelijk geloof trouw bleven werden door hem ter dood gebracht; zulke mensen waren duidelijk ongehoorzaam en verdienden te sterven. Maar hij gaf toe dat hij onthutst was over de aard van hun misdaad. Hij was van degenen die, bang voor vervolging, hun dwaling openlijk afzwoeren, te weten gekomen dat er tijdens de bijeenkomsten van de christenen geen geweld werd gebruikt. Hun hele schuld lag hierin, dat zij weigerden het standbeeld van de keizer te aanbidden, of de beelden van de Goden, en dat zij gewoon waren op een bepaalde dag (de zondag) een samenkomst te hebben vòòr het licht werd, waarbij zij lofzangen aanhieven voor Christus, als ware Hij God. Zij legden een eed af om geen misdaden te begaan. Ze leefden voorbeeldig: men vond onder hen geen bedrog, geen overspel, diefstal of oneerlijkheid. Aan hun gemeenschappelijke maaltijden aten zij geen gedode kinderen (de aanklacht van kannibalisme werd vaak tegen de christenen ingebracht door onwetenden, ongetwijfeld omdat zij spraken van ‘zich voeden met Christus’ bij het heilig avondmaal) maar gewoon voedsel. Plinius was van zijn stuk gebracht door de kennelijke onschuld van dit alles, vandaar zijn brief aan de keizer. (Plinius, “brieven”, 10.96)

Tacitus
Een tijdgenoot van Plinius was Cornelius Tacitus, de grootste historicus van het Romeinse Keizerrijk. Hij vertelt ons (“Annalen”, 15.44) hoe de christenen, om hun schanddaden gehaat, door keizer Nero verantwoordelijk werden gesteld voor de grote brand van 64 na christus. “De naam christen”, zegt hij, “komt van Christus, die tijdens de regering van Tiberius ter dood is gebracht, en het verderfelijke bijgeloof, dat voor een poosje onderdrukt scheen, stak opnieuw de kop op en verspreidde zich niet alleen door Judea, de wieg van het kwaad, maar ook door Rome, waarheen alles wat afschuwelijk of schandelijk is zijn weg schijnt te vinden, waar ook vandaan.”
Het is duidelijk dat de Patriciër Tacitus geen sympathie had voor het Christendom, dat in het algemeen slechts door de lagere klassen werd beleden en in het byzonder door de Oosterlingen. Zijn getuigenis is daarom des te waardevoller. Waar het de oorsprong van het christendom betreft, kon hij op goede informatie bogen, want in 112 na Christus was hij gouverneur van Klein-Azië, waar vele christenen woonden. Ook in een verloren geraakt deel van zijn “Histories”, waarvan een uittreksel bewaard gebleven is bij een latere schrijver, verwijst hij naar hen. Hierin signaleert hij het feit dat het christelijk geloof ontstond als een sekte binnen het Jodendom, hoewel het er in die tijd al totaal van verschilde. En hij vermeldt het interessante feit dat de Romeinse generaal Titus hoopte een eind te maken aan zowel het Jodendom als het Christendom, door in 70 na Christus de tempel te Jeruzalem te verwoesten, uitgaande van de gedachte dat door het afsnijden van de wortel de plant wel spoedig zou verdorren.

Schrijvers van allure als Plinius en Tacitus maken de geschiedenis volkomen onaantastbaar. Maar kunnen we nog verder teruggaan? Is er ook bij de heidense schrijvers uit de eerste eeuw nog ergens een getuigenis omtrent Jezus te vinden? Dat is inderdaad het geval.

Vroeger getuigenis
Om te beginnen een verklaring van de historicus Thallus, een Samaritaan, die omstreeks 52 na Christus in Rome werkzaam was. Zijn werk is verloren gegaan, maar een gedeelte eruit wordt aangehaald door Julius Africanus, een schrijver uit de tweede eeuw, terwijl hij een discussie voert over de duisternis die over de wereld viel, toen Jezus aan het kruis stierf. (Marcus 15:33) “Thallus legt in het derde boek van zijn ‘geschiedenis’ uit, dat de duisternis een zonsverduistering was……onlogisch lijkt mij”. Een compliment voor de opmerkingsgave van Julius Africanus; je kunt geen totale zonsverduistering hebben wanneer het volle maan is, zoals het was met Pasen toen Jezus stierf. Maar het grootste belang ligt in het feit dat hiermee wordt aangetoond dat de omstandigheden rond de dood van Jezus al in het midden van de eerste eeuw algemeen bekend waren in Rome en belangrijk genoeg om door een niet-christelijk historicus besproken te worden.

Het is niet alleen het kruis van Jezus dat in die vijftiger jaren aan de heidenen in de hoofdstad bekend was, maar ook de geschiedenis van Zijn opstanding, als wij tenminste mogen afgaan op de feiten die via een merkwaardige inskriptie uit de tijd van Claudius, die keizer was van 41 tot 54 na Christus, tot ons komen. Hierin drukt de keizer zijn ongenoegen uit over de berichten die hem ter ore zijn gekomen met betrekking tot het weghalen van dode lichamen uit hun graven, en hij waarschuwt dat als er nog meer graven zullen worden geschonden hij niet zal nalaten hiervoor de doodstraf op te leggen. Deze inskriptie is notabene in Nazareth gevonden! Ofschoon dit, wonderlijk genoeg, door theologen over het hoofd wordt gezien, beschouwen historici als professor Momigliano en professor Blaiklock dit scherpe dreigement als de officiële reaktie op het rapport van de gouverneur van Judea over de kruisiging van Jezus en de gevolgen ervan. Men kan zich nauwelijks voorstellen dat Pilatus vermeden zou hebben een rapport hierover naar Rome te sturen. Tenslotte was Jezus ter dood gebracht als een politieke pretendent en juist voor zulke mensen had de keizer veel belangstelling.

Joods getuigenis over Jezus
Begrijpelijkerwijs is ook hier het materiaal schaars. Wij bezitten over dit onderwerp geen Palestijns-Joodse geschriften uit diezelfde tijd, terwijl de geschriften van na de val van Jeruzalem, in 70 na Christus, onvermijdelijk zijn beïnvloed door de splitsing tussen kerk en synagoge, die toen al onherstelbaar was. Bovendien hadden de Joden het gevoel dat de christenen althans voor een deel verantwoordelijk waren voor de gang van zaken die leidde tot de noodlottige Joodse oorlog. Ze waren ontsteld over het feit dat de kerk hen in die strijd op leven en dood tegen Rome niet had geholpen en waren allerminst verheugd over de opkomst van een nieuw geloof, dat, aanvankelijk als een beweging binnen het Jodendom, zeer snel terrein won. Om deze en andere redenen was de verhouding tussen Jodendom en Christendom aan het eind van de eerste eeuw uiterst koel. Dit vormt een verklaring voor het feit dat er in de Joodse geschriften niet veel over Christus staat vermeld en dat het weinige dat we er wèl aantreffen niet bepaald complimenteus is.

Josephus
De belangrijkste getuige was Josephus. Hij was één van de Joodse bevelhebbers in de oorlog met Rome en na 70 na Christus probeerde hij het aanzien van het Jodendom in de Romeinse gemeenschap, en bij de keizerlijke familie in het bijzonder, te herstellen. zodoende schreef hij zijn ‘Joodse geschiedenis’ (gepubliceerd in 93 na Christus) en zijn ‘Joodse oorlog’ (gepubliceerd in 75-79 na Christus), met de bedoeling het Romeinse publiek nauwkeuriger in te lichten over het geloof van zijn vaderen. Deze apologetische werken bevatten natuurlijk een minimum aan materiaal dat de Romeinse lezers zou kunnen irriteren. Niettemin komen wij in de werken van Josephus vele figuren tegen die bekend zijn uit het Nieuwe Testament: Pilatus, Annas, Kajafas, Herodes, Quirinius, Felix, Festus en vele anderen. Josephus vertelt ook over Johannes de Doper, over zijn prediking, doop en terechtstelling. Jakobus, ‘de broer van Jezus, de zogenaamde Christus’, wordt ook nogal eens genoemd.
Maar het belangrijkste is wel zijn uitgebreide verwijzing naar Jezus zelf: “En daar verscheen omstreeks deze tijd (d.i. Pilatus’ tijd, 26-36 na Christus) Jezus, een wijs mens, als wij hem werkelijk een mens kunnen noemen……want hij deed wonderbaarlijke dingen. Hij was een leraar voor hen die met graagte de waarheid aannamen en wist vele Joden, en ook vele Grieken, voor zich te winnen. Deze nu was de Messias. En toen Pilatus Hem tot het kruis had veroordeeld, op aanstichting van onze eigen leiders, gingen degenen die Hem van het begin af aan hadden liefgehad verder met het uitdragen van zijn leer. Want Hij verscheen hun levend op de derde dag, zoals voorzegd was door de heilige profeten, die ook vele andere wonderlijke dingen over Hem hadden verteld. En zelfs nu nog zijn de christenen, zo genoemd naar Hèm, niet uitgestorven” (Joodse geschiedenis 18.3.3)
Het is natuurlijk verrassend zo’n getuigenis te horen in de geschriften van iemand die zelf geen Christen was. Toch hebben alle pogingen om de authenticiteit ervan te weerleggen schipbreuk geleden. het heeft een even sterke bewijskracht als al het andere dat door Josephus is geschreven.

In deze passages bezitten wij een krachtig, onafhankelijk getuigenis van de historische werkelijkheid van Jezus van Nazareth. De verhalen over Jezus waren geen mythe. Ze waren zó uitvoerig en zó goed beschreven, dat zij zelfs een plaatsje vonden in het apologetische werk van de Joodse Josephus. En juist hij had alle reden om bij de behandeling van zijn thema te zwijgen over zaken die zo gemakkelijk aanstoot zouden kunnen geven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s