Ten ondergang gedoemd

‘De triomfantelijke intocht van Christus in Jeruzalem was een zwakke voorafschaduwing van Zijn komst op de wolken des hemels in macht en heerlijkheid, te midden van het gejubel der engelen en de vreugde der heiligen. Dan zullen de woorden die Christus sprak tot de priesters en Fari­zeeën, vervuld worden: “Gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij Die komt in de naam des Heren!” (Matth.23:39)

Aan Zacharia werd in een profetisch visioen die dag van uiteindelijke triomf getoond: en hij zag ook de ondergang van hen die bij de eerste komst Christus hadden verworpen. “Zij zullen Hem aanschouwen Die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over Hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.” (Zach.12:10)’

‘Dit schouwspel zag Christus reeds voor Zich, toen Hij naar de stad keek en over haar weende. In de tijdelijke verwoesting van Jeruzalem zag Hij de uiteindelijke vernietiging van dat volk dat schuldig was aan het bloed van de Zoon van God.

De discipelen zagen de haat van de Joden tegen Christus, maar zij zagen nog niet in, waartoe deze zou leiden. Zij begrepen de ware toestand van Israël nog niet; evenmin konden zij de vergelding die over Jeruzalem zou komen, verstaan. Dit openbaarde Christus hun door een veelbetekende aanschouwelijke les.

De laatste roep die tot Jeruzalem was gericht, was tevergeefs geweest. De priesters en de oversten hadden gehoord hoe de profetische stem uit het verleden weerklonk via de menigte, als antwoord op de vraag: “Wie is dit?” (Matth.21:10) maar zij aanvaardden deze stem niet als die van de Inspiratie. In hun woede en verbazing probeerden zij het volk tot zwijgen te brengen. Er bevonden zich Romeinse ambts­dragers onder de menigte, en bij hen klaagden de vijanden van Jezus Hem aan als leider van een opstand. Zij deden het voorkomen, dat Hij op het punt stond de tempel in te nemen en als koning over Jeruzalem te gaan regeren[…]’

‘Ze werden ontroerd door een medegevoel dat zij niet konden be­grijpen. In plaats van Jezus gevangen te nemen, waren zij meer geneigd Hem eer te bewijzen. Zij wendden zich tot de priesters en oversten en beschuldigden hen ervan, dat zij verwarring hadden gesticht. Deze leiders, verbitterd en verslagen, wendden zich tot het volk met hun klachten, en rede­twistten heftig onder elkander. Intussen ging Jezus onopgemerkt naar de tempel. Daar was alles rustig, want het gebeuren op de Olijfberg had de mensen weggeroepen. Een korte tijd bleef Jezus in de tempel en keek ernaar met droeve ogen. Daar­op trok Hij Zich met Zijn discipelen terug en keerde weer naar Bethanië. Toen de mensen Hem zochten om Hem op de troon te plaatsen, was Hij niet te vinden.

De gehele nacht bracht Jezus door in gebed, en ’s morgens ging Hij weer naar de tempel. Op weg daarheen kwam Hij langs een tuin beplant met vijgebomen. Hij werd hongerig. “En toen Hij van verre een vijgeboom zag die bladeren had, ging Hij daarheen om te zien of Hij er ook iets aan vinden zou. En erbij gekomen, vond Hij er niets aan dan bladeren; want het was de tijd niet voor vijgen[…]’

‘Christus sprak er een vernietigende vloek over uit. “Nooit ete meer iemand vrucht van u in eeuwigheid!” (Marc.11:14) zei Hij. De volgende morgen, toen de Heiland en Zijn discipelen opnieuw op weg waren naar de stad, trokken de dorre takken en wegkwijnende bladeren hun aandacht. “Rabbi”, zei Petrus, “zie, de vijgeboom die Gij vervloekt hebt, is verdord.” (Marc.11:21)

God “heeft een welbehagen in goedertierenheid.” (Micha 7:18)
“Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze.” (Ez.33:11)
Voor Hem is het werk van verwoesting en het aan­zeggen van een oordeel een “vreemde daad.” (Jes.28:21)

Maar in genade en liefde licht Hij de sluier op van de toekomst, en laat de mensen de gevolgen zien van een zondig leven. Het vervloeken van de vijgeboom was een sprekende gelijkenis. Die onvruchtbare boom, die met zijn aan­mati­gende lommer praalde voor de ogen van Christus Zelf, was een symbool van het Joodse volk.
De Heiland wilde Zijn discipelen de oorzaak en de stelligheid van Israëls ondergang duidelijk maken. Voor dit doel gaf Hij de boom kwaliteiten, en maakte hem zo tot een verklaarder van goddelijke waarheid.’

‘De Joden onderscheidden zich duidelijk van alle andere volken, doordat zij beleden God trouw te zijn. Zij waren bijzonder door Hem begunstigd en maakten meer dan andere volken aanspraak op rechtvaar­digheid. Maar zij waren verdorven door liefde voor de wereld en winstbejag. Zij gingen prat op hun kennis, maar waren niet op de hoogte van Gods geboden, en ze waren vol huichelarij. Zoals de onvruchtbare boom, spreidden zij hun opzichtige takken uit, weelderig om te zien en schoon voor het oog, maar zij gaven “niets dan bladeren.” (Marc.11:13)’

De Joodse godsdienst, met zijn prachtige tempel, zijn gewijde altaren, zijn priesters met de heilige hoeden op, en zijn in­drukwekkende plechtigheden, was prachtig wat het uiterlijk betreft, maar nederigheid, liefde en welda­digheid ontbraken eraan.

Geen van de bomen in de boomgaard droeg nog vruchten; maar de bladerloze bomen wekten geen verwachtingen en stelden niet teleur. Door deze bomen werden de heidenen voorgesteld. Zij waren even verstoken van godsvrucht als de Joden; maar zij hadden niet beleden dat Zij God dienden. Zij hielden niet vol grootspraak de schijn van goedheid op. Zij waren blind voor de wegen en werken[…]’

Het is ook geschreven als waarschuwing voor ons.

Uittreksel uit: Ellen G.White. ‘De wens der eeuwen’.

Hij is opgestaan

“Na zijn opstanding verscheen Jezus aan zijn discipelen op de weg naar Emmaüs. „En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” (Lucas 24:27). Dit gesprek greep de discipelen erg aan. Hun geloof werd erdoor gesterkt. Zij waren „wedergeboren tot een levende hoop”, zelfs voordat Jezus zich aan hen had geopenbaard.

Christus wilde hun meer inzicht geven en hun geloof vestigen op „het vaste woord der profetie.” Hij wilde dat de waarheid goed tot hen doordrong, niet alleen omdat deze waarheid door zijn persoonlijk getuigenis werd bevestigd, maar ook vanwege de onbetwistbare bewijzen van de symbolen en beelden van de schaduwdienst en van de profetieën van het Oude Testament. De volgelingen van Christus moesten een geloof hebben waar ze rekenschap van konden afleggen. Dit was niet alleen in hun eigen belang, maar ook in het belang van de wereld, die Christus door hun getuigenis moest leren kennen.

Bij het overdragen van deze kennis wees Jezus, als eerste stap, zijn discipelen op “Mozes en al de profeten”.

Deze uitspraak van de opgestane Heiland toont aan welk belang Hij aan het Oude Testament hechtte.

Er kwam een ingrijpende verandering in het hart van de discipelen toen ze het gezicht van hun geliefde Meester weer zagen! (Lucas 24:32). Zij herkenden in Christus „Hem van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten.” Onzekerheid, angst en wanhoop maakten plaats voor absolute zekerheid en een onwankelbaar geloof. Het spreekt vanzelf dat zij na zijn opstanding „voortdurend in de tempel waren, lovende God.”

De mensen die alleen wisten dat Christus een smadelijke dood was gestorven, verwachtten dat het gezicht van de discipelen door verdriet, verwarring en wanhoop getekend zou zijn. Ze straalden echter van blijdschap en overwinning. De discipelen waren grondig voorbereid op het werk dat vóór hen lag. Zij hadden de zwaarste beproeving die zij konden meemaken aan den lijve ondervonden. Zij hadden gezien dat toen naar menselijke berekening alles hopeloos scheen, het Woord van God toch was uitgekomen. Voortaan zou niets hun geloof nog doen wankelen of hun vurige liefde kunnen verminderen. Toen hun verdriet het ergst was, hadden zij „een krachtige aansporing”; de hoop, „een anker der ziel, dat veilig en vast is.” (Hebreeën 6:18,19).

Zij waren getuige geweest van de wijsheid en kracht van God en waren verzekerd dat „noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.”

Ze zeiden: „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.” (Romeinen 8:3839,37). „Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid.” (l Petrus 1:25). „Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die te rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.” (Romeinen 8:34).

Uit : De Grote Strijd / E.G.White / hoofdstuk: Licht in de duisternis

Licht in de duisternis

Sinds vele maanden is er bij ons een voorleesuurtje. Momenteel zijn we bezig aan De Grote Strijd en gisteravond lazen we het hoofdstuk ‘Licht in de Duisternis’. Dat wou ik graag met je delen :

“Christus was gekomen op de tijd en wijze die de profetie had voorzegd. De woorden van de Schrift waren in elk onderdeel van zijn werk op aarde in vervulling gegaan. Hij had de boodschap van verlossing verkondigd en „zijn woord was met gezag.” Zijn toehoorders waren ervan overtuigd dat het een boodschap uit de hemel was. Het Woord en de Geest van God bevestigden de goddelijke opdracht van zijn Zoon.

De discipelen waren nog altijd door dezelfde grote liefde met hun Meester verbonden. Toch waren zij overweldigd door onzekerheid en twijfel. Door hun verdriet herinnerden zij zich de woorden van Christus over zijn lijden en sterven niet. Als Jezus van Nazareth werkelijk de Messias was, zouden zij nu toch niet overmand zijn door verdriet en teleurstelling? Deze vraag kwelde hun geest toen Christus in het graf lag tijdens de sombere uren op die sabbat tussen zijn dood en opstanding. Hoewel de volgelingen van Christus bedroefd waren, liet God hen niet in de steek. De profeet had gezegd:

„Al zit ik in het duister, de HERE zal mij tot licht zijn… Hij zal mij uitleiden in het licht; ik zal aanschouwen, hoe Hij gerechtigheid oefent.” „Zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht.”

God heeft gezegd: „Voor de oprechten gaat het Licht in de duisternis op.” „En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten.” (Micha 7:8,9; Psalm 139:12; 112:4; Jesaja 42:16).

De boodschap die de discipelen in de naam van Jezus brachten, was tot in alle bijzonderheden juist en de gebeurtenissen die zij aankondigden, begonnen zich toen al af te tekenen. „De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen”, was hun boodschap. Bij het verstrijken van „de tijd” – „de zeven weken en tweeënzestig weken dus negenenzestig weken van Daniël 9, die zouden reiken tot op de Messias – was Christus door de Geest gezalfd na zijn doop door Johannes in de Jordaan.

Het Koninkrijk Gods dat nabij was, werd bij Christus’ dood opgericht. Maar dat Koninkrijk was geen koninkrijk van deze wereld zoals zij dachten. Het was ook niet het toekomstige, eeuwige Koninkrijk, dat zal worden opgericht wanneer „het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de hele hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten”, dat eeuwige Koninkrijk waarin alle machten Hem dienen en gehoorzamen. (Daniël 7:27).

In de Bijbel wordt de uitdrukking „het Koninkrijk Gods” zowel voor „het koninkrijk der genade” als voor het „koninkrijk der heerlijkheid” gebruikt. Paulus spreekt over het koninkrijk der genade in zijn brief aan de Hebreeën. Nadat

hij heeft gewezen op „Christus, de hogepriester die kan medevoelen met onze zwakheden”, zegt de apostel: „Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden.” (Hebreeën 4:15,16).

De troon der genade stelt „het koninkrijk der genade” voor, want waar een troon is, is er ook een koninkrijk. Christus gebruikt in veel gelijkenissen de uitdrukking „het Koninkrijk der hemelen” om de werking van Gods genade in het hart van de mensen aan te duiden. De troon der heerlijkheid stelt „het koninkrijk der heerlijkheid” voor.

Christus verwijst naar dit koninkrijk wanneer Hij zegt: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen voor Hem verzameld worden.” (Mattheüs 25:31,32).

Dit koninkrijk ligt nog in de toekomst. Het zal bij de wederkomst van Christus worden opgericht. Het „koninkrijk der genade” werd onmiddellijk na de zondeval ingesteld. Toen werd een plan uitgewerkt voor de verlossing van de gevallen mens. Dit koninkrijk bestond toen op grond van de intentie en belofte van God. De mens kon door het geloof burger van dit koninkrijk worden. Toch werd het pas bij de dood van Christus opgericht. Jezus had immers zelfs na het begin van zijn openbaar optreden kunnen afzien van het offer op Golgotha als Hij ontmoedigd was geworden door de hardnekkigheid en ondankbaarheid van de mensen.

De lijdensbeker trilde in zijn hand in de hof Gethsémane. Hij had op dat ogenblik het bloed dat op zijn voorhoofd parelde kunnen afvegen en de schuldige mensheid in haar eigen ongerechtigheid kunnen laten omkomen. Als Hij dat gedaan had, was er geen verlossing mogelijk voor de gevallen mens. Toen Hij echter zijn leven gaf en de doodskreet „Het is volbracht” slaakte, was de uitvoering van het verlossingsplan verzekerd. De belofte van verlossing die aan het gevallen mensenpaar in het paradijs werd gedaan, was bekrachtigd. Het koninkrijk der genade, dat vroeger beloofd was, werd toen opgericht.

Zo werd de dood van Christus, die de discipelen als de definitieve vernietiging van hun hoop beschouwden, juist de eeuwige bevestiging van hun verwachtingen. Hoewel ze erg teleurgesteld waren door zijn dood, was zijn sterven toch het beste bewijs dat hun geloof juist was. De gebeurtenis die hen met droefheid en wanhoop had vervuld, opende de deur der hoop voor elke afstammeling van Adam. Daarin lag het toekomstige leven en het eeuwige geluk voor al Gods trouwe volgelingen besloten.

Geloven is niet…

Wanneer men spreekt over “geloof en gelovig zijn” denken velen aan (lid zijn van) een christelijke kerk. De Bijbel echter spreekt niet over en verwijst ook niet naar welke kerk ook. Als de Bijbel het heeft over “geloof en geloven”, wil God de aandacht trekken op wat Hij de mens aanbiedt, op wat de condities zijn voor een diepgaand en heilzaam leven – op Zijn aanbod: een gezegende relatie met Hem.

De geschiedenis bewijst overvloedig dat welke kerk ook, slechts een verzameling is van individuen die een theorie aanvaard hebben, eigen aan de kerk waarvan zij lid zijn. Velen van hen zijn zich zelfs niet bewust van de betekenis van wat ze geloven. Vaak is men zelfs niet trouw aan de leer van de kerk waartoe men behoort.

De bron van geloof- en levenskracht wordt niet gevonden in een mens, wie of wat hij ook mag zijn of van zichzelf beweert te zijn. Jezus zegt dat de geloofsbron alleen gevonden wordt in elk woord dat van God uitgaat. (Matteüs 4:4;  Psalm 119:105;  Spreuken 6:21,22,23)

Het is dan ook noodzakelijk de woorden van God (de goddelijke geloofsregels) te leren kennen en ze in alle eenvoud gelovig te aanvaarden, er niets aan toe te voegen en er niets van af te doen.(zie:Openbaring 22:18-19; Spreuken 30:5-6;  Deuteronomium 12:32; Deuteronomium 4:2;  Matteüs 5:17-19) 

Om die reden ook vraagt Jezus elk woord van God te aanvaarden, elke dag te beleven en anderen erin te onderwijzen.

Wanneer iemand slechts een stukje van het geheel aanbiedt en met de rest geen rekening houdt, legt deze persoon een vernietigend fundament in wat hij doorgeeft. Dan zal de levenskracht van dat Bijbelgedeelte zijn waarde verliezen. Dan zal de herscheppende energie van de ware christelijke leer, de dynamische kracht van het leven, gebrekkig of helemaal niet ervaren worden. Het is terecht dat Paulus bevestigt:

        Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.   2Timoteüs 3:16-17

Voor alle veiligheid is het aanbevolen om de raadgeving van Paulus te volgen, zoals beschreven in Hebreeën 12:2:

     Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van het geloof. 

Voor alle veiligheid, laten we, kerkelijke geloofsregels toetsen aan Gods geschreven woord opdat onze geloofslevensweg veilig gebouwd zou zijn op het Woord van God.

L. Pollin

Voeding en Artritis

Dr. Arnold Renshaw, Manchester, Engeland, heeft veel ziekten en aandoeningen behandeld met enzymen. Zijn rapport daarover in Annals of Reumatic Disease (1947) is te lang begraven en verborgen geweest. Dr. Renshaw merkte op dat “Er door de tijd heen veel theorieën zijn geuit om de etiologie van de reumatische ziektes te verklaren”. Hij voegde er aan toe dat de functies van de dunne darm maar weinig opmerkzaamheid en onderzoek hebben gekregen. “Als resultaat van vele jaren van post-mortem onderzoeken, bleef een diepe indruk op de schrijver. De frequentie waarmee er atrofie van de dunne darm vastgesteld werd, en de variaties in het aspect van dit orgaan als het systematisch geopend werd en over zijn gehele lengte werd onderzocht, was frappant. Men kwam tot de conclusie dat reumatische artritis een gebreksziekte zou kunnen zijn, die optrad door een niet-in-staat-zijn om adequaat met de proteïne-vertering en de stofwisseling om te gaan. Men moet weten dat het gebied van de dunne darm, exclusief de plooien en villi, ten minste 9 – 10 maal zo groot als dat van de maag is.”
Dr. Renshaw besloot om zijn theorie te testen of er een tekort aan enzymen achter de artritis zat. Een groep enzymenspecialisten produceerde een gedroogd enzymen-extract van het intestinale slijmvlies. Personen met reumatische klachten slikten de enzymen in capsule-vorm na de maaltijden. Er werden per dag 7 capsules genomen. De behandeling werd uitgevoerd in een kliniek van het Ancoats Hospital, Manchester, en in private praktijk. 

Bij 700 patiënten die met het enzym behandeld werden over een periode van 7 jaar, werden goede resultaten verkregen bij reumatische artitis, osteoartritis, fibrositis (een ontsteking van het bindweefsel). Sommige onhandelbare gevallen van spondilitis (een ontsteking van de wervelkolom die stijfheid veroorzaakt) en de ziekte van Still (die jongeren aandoet, en die vele gewrichten treft en soms de ontwikkeling vertraagt) hebben ook goed op deze therapie gereageerd. In een reeks van 556 gevallen van uiteenlopende soort, werden er 283 gevallen gevonden die veel verbeterden, en 219 verbeterd in minder opmerkelijke mate. Van de 292 gevallen van reumatische artritis lieten er 264 een verbetering in een bepaalde graad zien. De verbetering werd ook vastgesteld bij andere vormen van reuma. Enkele kinderen met de ziekte van Still die behandeld werden, reageerden daar ook erg goed op, en een teruggang van pijn werd gerapporteerd bij patiënten met osteoartritis.

Het werd vastgesteld dat de eerste 2 – 3 maanden er geen opmerkelijk resultaat zou zijn. In feite zou de pijn zelfs wat erger kunnen worden. Hoe langer het verloop van de ziekte was, hoe langer het duurde voor er verbetering kon worden vastgesteld. Personen die langer dan 5 jaar artritis hadden, konden 6 tot 12 maanden behandeling met enzymen nodig hebben voordat de verbetering van de reumatische pijnen duidelijk werd. Desondanks, indien de behandeling consequent werd doorgezet zullen als gevolg daarvan dit soort gevallen door het verloop van tijd absoluut goed reageren.
In uitzonderlijke gevallen observeerde Dr. Renshaw dat het 18 maanden tot 2 jaar nodig had voor de bezinkingswaarden normale waarden bereikten.
Mijn eigen ervaring met een ander soort enzymen is overeenkomstig die van Dr. Renshaw geweest, rekening houdend met de tijdsduur die uitgetrokken is om wat verbetering te laten zien in de zwaarste gevallen van lang ontwikkelde osteoartritis en reumatische artritis. 

Met een voedingswijze, hoofdzakelijk gebaseerd op rauwkost, verloopt het herstel in deze gevorderde situaties op dezelfde manier. Het is een langzaam proces. Maar als een slachtoffer van deze invaliderende ziektes de moed heeft, in de levensverwachting van nog zo’n 5 – 10 jaar of meer, is het dan niet waard om langs zulke langzame maar constructieve wegen voort te gaan? 

Het is waar dat veel mensen niet het geduld hebben om natuurlijk te genezen, en verwachten snel beter te worden, snel van de pijn en de ontstekingen verlost te worden… Maar wat is het resultaat van al deze snelle middelen ? Bekijk de keerzijde van de artritismedicijnen en vraag je af welke toekomst ze schenken aan de artritis-patiënt… Het is voor sommigen moeilijk te geloven, dat precies deze medicijnen de ziekte bestendigen en ze verdiepen en de schade ten top drijven. Hoe kan het ook anders, wanneer er niets is veranderd aan de onderliggende oorzaak, waarvan Dr. Renshaw en anderen één aspect hebben blootgelegd : de insufficiënte werking van de dunne darm en de stofwisseling, mogelijk door verlaagde activiteit van de pancreas.

“De hypothese dat de darm de hoofdverantwoordelijke is voor het merendeel van de chronische ziekten is in de praktijk (tien)duizendvoudig bewezen. Hoe? Door bij de meest uiteenlopende ziekten (migraine, de ziekte van Menière, doorbloedingsstoornissen, astma, reuma en artrose, psoriasis, galblaasontsteking, voorhoofdsholteontsteking, kanker e.v.a.) uitsluitend de darm te behandelen en dan te kijken wat het effect op de ziekte was.”

Na Renshaw zijn talrijke onderzoeken geweest, die de rol van de darmwerking bij reumatische aandoeningen sterker in het licht brengen. Maar het zijn conclusies die weinig aandacht krijgen – omdat het te moeilijk is, en de mensen het zelf moeten doen.

Vergeef het hun

  “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat zij doen.”    –  Lucas 23:34

in Matteüs 6:14-15: 

     “Want indien gij de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar indien gij de mensen niet vergeeft, zal ook uw Vader uw overtredingen niet vergeven.”

Welke krachtige boodschap geeft Jezus hier? Wat zegt Hij, dat zoveel gevolgen voor de eeuwigheid heeft voor ons allemaal?

Jezus leerde zijn discipelen bidden: 

     “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hen vergeven wie ons iets schuldig was.” Matteüs 6:12 

Daarna zei Hij indringend (vers 14-15) dat als wij niet willen vergeven, God ons ook niet vergeeft. 

Die gedachte is afschuwelijk. We zijn allemaal zondaars en we hebben allemaal Gods vergeving nodig. Daarom moeten we ook allemaal leren vergeven, willen wij zelf vergeving ontvangen! 

Vergeving is zo belangrijk omdat dit het fundament is voor het herstellen en onderhouden van goede relaties. De hemelse Vader weet hoe pijnlijk de last van de zonde is en hoe we van die last bevrijd kunnen worden door te vergeven — door de vergeving die we van God ontvangen ook aan anderen door te geven.

De ervaring van vergeving is nuttig, niet alleen voor de mensen die aan de ontvangende kant staan, maar ook voor degenen die vergeving schenken. Het gevoel van genade en edelmoedigheid, die mensen ervaren als zij anderen vergeven, brengt dichter bij God en helpt mee aan het bouwen van hun karakter.

Recent was er studie onder gescheiden mensen en daaruit bleek dat er verschil was tussen degenen die wel en die niet wilden vergeven. Mark Rye van de Universiteit van Iowa rekruteerde 199 gescheiden personen uit organisaties voor alleenstaanden en uit herstelgroepen voor gescheiden mensen in de kerk. Het was niet verrassend dat de onderzoekers hieruit konden opmaken dat de mensen die vergeving hadden geschonken aan hun voormalige echtgenoot, een betere geestelijke gezondheid hadden. Toen ze vergeleken werden met mensen die niet bereid waren om te vergeven, bleek opnieuw dat degenen die vergeving schonken beter scoorden in welzijn en godsdienstige tevredenheid en lager wat betreft boosheid en depressie.