De les van de gelijkenissen

Christus’ blik op de waarheid was zo ruim en zijn leer was zo veelomvattend, dat elke fase van de natuur gebruikt werd om de waarheid te illustreren. 

De tonelen waarop dagelijks het oog rust werden verbonden met een of andere geestelijke waarheid, zodat heel de natuur bekleed is met de gelijkenissen van de Meester.

In het begin van zijn openbaar werk had Christus zo duidelijk tot de mensen gesproken, dat al zijn toehoorders de waarheden hadden kunnen bevatten, die hen wijs konden maken tot zaligheid. Maar in veel harten had de waarheid geen wortel geschoten. Heel spoedig was ze weggenomen. “Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen,” zei Hij, “omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen .. . Want het hart van dit volk is vet geworden en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten.” (Mattheüs 13:13-15)

Jezus wilde graag vragen uitlokken. Hij probeerde de zorgelozen wakker te schudden en de waarheid te laten doordringen in het hart. Het spreken in gelijkenissen was gangbaar en eiste respect en aandacht, niet alleen van de joden maar ook van mensen uit andere volken. Jezus had geen betere wijze van onderricht kunnen gebruiken. Als zijn toehoorders hadden verlangd om goddelijke zaken te leren kennen, hadden zij zijn woorden kunnen begrijpen, want Hij was altijd bereid ze aan de eerlijke onderzoeker te verklaren.

Daarbij moest Christus waarheden brengen waarvoor de mensen nog niet gereed waren om deze te aanvaarden of zelfs te begrijpen. Ook daarom onderwees Hij in gelijkenissen. Door zijn onderricht te verbinden met het dagelijkse leven of met de natuur trok Hij hun aandacht en sprak Hij tot hun hart. Als zij later zagen naar de voorwerpen die zijn lessen illustreerden, herinnerden zij zich de woorden van de goddelijke Leraar. Voor het verstand dat openstond voor de Heilige Geest, kreeg de betekenis van de leer van de Heiland steeds meer inhoud. Verborgenheden werden openbaar en wat moeilijk te vatten was geweest, lag nu voor de hand.

Jezus zocht toegang tot ieders hart. Door verschillende illustraties te gebruiken, bracht Hij niet alleen de waarheid in zijn verschillende vormen, maar deed Hij tevens een beroep op de verschillende toehoorders. Hun belangstelling werd gewekt door beelden, genomen uit hun dagelijkse omgeving. Niemand die naar de Heiland luisterde, kon het gevoel hebben dat hij veronachtzaamd of vergeten werd. De eenvoudigste en zondigste mensen hoorden in zijn leer een stem die vol medeleven en tederheid tot hen sprak.

Hij had nog een reden om te leren door gelijkenissen. Onder de velen die om Hem vergaderd waren, bevonden zich priesters en rabbi’s, schriftgeleerden en oudsten, Herodianen en oversten, wereldsgezinde, dweepzieke, eerzuchtige mensen, die hun uiterste best deden een beschuldiging tegen Hem te vinden. Hun spionnen volgden dagelijks zijn stappen om van zijn lippen iets te horen waardoor zij Hem konden veroordelen om zodoende Hem, die heel de wereld achter Zich scheen te trekken, voor altijd tot zwijgen te brengen. De Heiland kende het karakter van deze mensen en bracht de waarheid zó, dat zij niets konden vinden om zijn optreden voor te leggen aan het Sanhedrin. Door gelijkenissen bestrafte Hij de schijnheiligheid en boze werken van hen, die vooraanstaande posities bekleedden. In beeldspraak kleedde Hij de waarheid, die zo scherp was dat wanneer deze rechtstreeks was gesproken, zij niet naar zijn woorden zouden hebben geluisterd, maar al heel spoedig een eind aan zijn werk zouden hebben gemaakt. Hoewel Hij echter de spionnen ontliep, maakte Hij de waarheid zo duidelijk dat dwaling aan het licht werd gebracht en mensen die eerlijk waren, baat vonden bij zijn lessen. Goddelijke wijsheid en oneindige genade werden duidelijk gemaakt door Gods scheppingswerken. De mensen werden over God onderricht door de natuur en voorvallen uit het dagelijks leven. “Hetgeen van Hem niet gezien kan worden, wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien, nl. zijn eeuwige kracht en goddelijkheid.”  (Romeinen 1:20)

wordt vervolgd

Hij sprak in gelijkenissen

In Christus’ onderwijs door gelijkenissen is hetzelfde beginsel zichtbaar als in zijn zending naar deze wereld. Christus heeft onze natuur op Zich genomen om onder ons te wonen, zodat wij bekend zouden worden met zijn goddelijk karakter en leven. Goddelijkheid was bekleed met menselijkheid, de onzichtbare heerlijkheid in de zichtbare menselijke gestalte. Door bekende dingen kon de mens het onbekende leren kennen. Hemelse dingen werden door aardse geopenbaard. God werd geopenbaard in de gedaante van de mens. Dit was ook het geval met de woorden die Christus sprak. Onbekende dingen werden door bekende zaken geïllustreerd, goddelijke waarheden bekend gemaakt door aardse dingen, waarmee de mensen vertrouwd waren.

De Schrift zegt: “Dit alles zei Jezus in gelijkenissen tot de scharen . . . opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zei: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is.” (Mattheüs 13:34-35)

Natuurlijke zaken werden gebruikt om geestelijke dingen duidelijk te maken. Dingen uit de natuur en uit het leven van zijn toehoorders werden verbonden met de waarheden van het geschreven Woord. Door op deze wijze de aandacht van de aardse dingen te richten op het geestelijk koninkrijk, zijn de gelijkenissen van Christus schakels in de keten van waarheid die de mens met God, en de hemel met de aarde verbindt.

In zijn onderricht uit de natuur sprak Christus over de dingen die Hij zelf had gemaakt en die eigenschappen en krachten bezaten die Hij zelf daaraan had gegeven. In hun oorspronkelijke volmaaktheid waren alle geschapen voorwerpen een uiting van Gods gedachten. Voor Adam en Eva was de natuur in hun tehuis in het paradijs vol van de kennis van God en stroomde over van goddelijk onderricht. De wijsheid sprak tot het oog en werd opgenomen in het hart, want zij spraken met God door middel van zijn geschapen werken. Toen het eerste mensenpaar de wet van de Allerhoogste had overtreden, verdween Gods heerlijkheid uit de natuur. Nu is de aarde geschonden en door zonde verontreinigd. Toch is ook nog in deze geschonden toestand veel moois overgebleven. Gods gelijkenissen zijn niet uitgewist. Wanneer de natuur goed begrepen wordt, spreekt deze nog steeds van haar Schepper.

In de tijd van Christus had men deze lessen uit het oog verloren. De mens ontdekte God vrijwel niet meer in zijn werken. De zondigheid van het mensdom had een lijkkleed geworpen over de schoonheid van de schepping en in plaats van God te openbaren, werden zijn werken een scheidsmuur, die Hem voor het oog verborg. De mensen aanbaden het schepsel boven de Schepper. Op deze wijze zijn de overleggingen van de heidenen op niets uitgelopen en is het duister geworden in hun onverstandig hart. (Romeinen 1:25,21) Zo waren in Israël de leerstellingen van mensen gekomen in de plaats van wat God had gezegd. Niet alleen de dingen uit de natuur, maar ook de offerdienst en de Schriften zelf, gegeven om God bekend te maken, werden zó verdraaid dat ze juist middelen werden om God te verbergen.

Christus trachtte weg te nemen wat  de waarheid had verduisterd. Hij kwam om de sluier die door de zonde over het gelaat van de natuur was geworpen, opzij te schuiven en de geestelijke heerlijkheid, die alle geschapen dingen moesten weerkaatsen, weer aan het licht te brengen. Zijn woorden plaatsten de leerstellingen van de natuur en die van de Bijbel in een nieuwe samenhang en maakten er een nieuwe openbaring van.

Jezus plukte de prachtige lelie en gaf die in handen van kinderen en jongeren. Terwijl zij opblikten naar zijn jeugdig gelaat, verlicht door de zonneschijn van het gelaat van zijn Vader, gaf Hij hun de les: ‘Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.’ Daarop volgde de heerlijke zekerheid en de belangrijke les: ‘Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?’

In de Bergrede werden deze woorden behalve tot kinderen en jongeren ook gericht tot anderen. Ze werden gericht tot de verzamelde mensen, waaronder mannen en vrouwen waren die bezorgd en verslagen, teleurgesteld en verdrietig waren. “Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit.

Want uw hemelse Vader weet dat gij dit alles behoeft.” Toen breidde Hij zijn handen uit over de omringende schare en zei: “Maar zoekt eerst zijn koninkrijk en zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.” (Mattheüs 6:28-33)

Op deze manier verklaarde Jezus de boodschap die Hij zelf aan de leliën en aan het gras van het veld had gegeven. Hij wil dat wij deze lezen in elke bloem en in iedere grasspriet. Zijn woorden zijn vol beloften en zijn bedoeld om het vertrouwen in God te versterken.

wordt vervolgd

Een hand op je schouder

Niet elk moment in het leven is hetzelfde. Er zijn hoogtepunten, waar je misschien het gevoel hebt dat het nooit meer stuk kan, dat de wereld aan je voeten ligt. Je ziet de eindeloze mogelijkheden en uitdagingen. Je voelt je sterk en gezond…

Ik bid erom dat het zo is, en dat God je, behalve die zegen, ook in gedachten geeft, dat deze wereld niet onze uiteindelijke bestemming is, en dat je mag weten dat dit geluk een gave Gods is. Vergeet dan niet – in deze goede dagen van je leven – Hem te danken en Hem de eer te geven die alleen aan God toekomt. 

Maar ook als het leven moeilijke dagen brengt, en dagelijks strijd oplevert om te overleven, om staande te blijven – fysiek of mentaal – weet dan, dat er Iemand is die wij om hulp kunnen vragen, Iemand waarbij we een schuilplaats vinden, Iemand die zegt : “Komt tot Mij, en Ik zal je rust schenken”. Hij is dichterbij dan je denkt, want zegt de Bijbel niet, “dat in al onze benauwdheid, dat ook Hij benauwd is”?

Het is een ervaring om te weten, te voelen, dat Hij daar is, met troostende woorden en met de kracht die je nodig hebt voor het moment. Zoek houvast bij Hem, die hemel en aarde schiep en die belooft “Zie, ik maak alles nieuw”.

Uit die woorden haal ik kracht en ik probeer me voor te stellen hoe het zal zijn, alles nieuw… Nu voor altijd, definitief, een Paradijs. Zonder tranen, zonder armoede, zonder geweld, zonder haat, zonder negatieve gedachten en gevoelens… Lijkt het te mooi om waar te zijn? Leef je met het gevoel dat dit mensentaal is, een sprookje dat niet waar kan zijn? Dan heb je Gods woord niet begrepen. Dan heb je nog niet leren vertrouwen in Hem ‘die niet kan liegen’ en die zijn beloften nakomt. Ik hoor zijn stem in de hele natuur, die spreekt van Zijn heerlijkheid. Ik ben verbaasd en iets jubelt in mij, als ik zijn regenboog zie verschijnen aan de hemel. En ik denk aan de beloften aan Noach gegeven. Dan word ik stil, en wat er ook gebeurt, zelfs in moeilijke dagen, in ziekte, verdriet, conflicten, ben ik gerust. Want Zijn hand is op mijn schouder. 

Geloven

Wanneer men spreekt over “geloof en gelovig zijn” denken velen aan een christelijke kerk. De Heilige Schrift echter spreekt niet over en verwijst ook niet naar welke kerk ook. Als de Bijbel het heeft over “geloof en geloven”, wil God de aandacht vragen voor wat Hij de mens aanbiedt, voor wat de condities zijn voor een diepgaand en heilzaam leven.

De geschiedenis bewijst overvloedig dat welke kerk ook, slechts een verzameling is van individuen die een aantal ideeën aanvaard hebben, eigen aan de kerk waarvan zij lid zijn. Velen van hen zijn zich zelfs niet bewust van de betekenis van wat ze geloven. Vaak is men zelfs niet trouw aan de leer van de kerk waartoe men behoort.

De bron van geloof- en levenskracht wordt niet gevonden in mensen, wie of wat zij ook mogen zijn of van zichzelf beweren te zijn. Jezus zegt dat de geloofsbron alleen gevonden wordt in elk woord dat van God uitgaat. (Matteüs 4:4;  Psalm 119:105;  Spreuken 6:21,22,23)

Het is noodzakelijk de woorden van God (de goddelijke geloofsregels) te leren kennen en ze in alle eenvoud gelovig te aanvaarden, er niets aan toe te voegen en er niets van af te doen.(zie:Openbaring 22:18-19; Spreuken 30:5-6;  Deuteronomium 12:32; Deuteronomium 4:2;  Matteüs 5:17-19) 

Om die reden ook vraagt Jezus elk woord van God te aanvaarden, te beleven en anderen erin te onderwijzen.

Wanneer iemand slechts een stukje van het geheel aanbiedt en (opzettelijk) met de rest geen rekening houdt, legt deze persoon een vernietigend element in wat hij aanbrengt. Dan zal de levenskracht van dat Bijbelgedeelte zijn waarde verliezen. Dan zal de herscheppende energie van de ware christelijke leer, de dynamische kracht van het leven, slechts gebrekkig of helemaal niet ervaren worden. Het is dan ook terecht dat Paulus bevestigt:

        Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.   2Timoteüs 3:16-17, H. St.

Voor alle veiligheid is het aanbevolen om de raadgeving van Paulus te volgen, zoals beschreven in Hebreeën 12:2:

     Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van het geloof. 

Voor alle veiligheid, laten we, welke kerkelijke geloofsregels ook, toetsen aan Gods geschreven woord opdat onze geloofslevensweg veilig gebouwd zou zijn op de totaliteit van de Heilige Schrift.

Ik zal er zijn…

Ik zal er zijn, als je huilt;

Ik zal er zijn, als je mij nodig hebt;

Ik zal er zijn, als je valt;

Er strekt zich een weg uit

en hij leidt naar het land waar je zo naar verlangt.

Kijk niet om, wees niet bang,

Als je je ellendig voelt en de moed wilt opgeven,

kniel dan in vertrouwen op je knieën,

dan is er een kracht, die met niets is te vergelijken,

Ik zal er zijn, je kan het echt geloven,

Ik zal er zijn, als de duivel je aanvalt.

In beproevingen en verzoekingen zal Ik er zijn,

dwars door het donker heen.

Roep mij slechts aan.

Ik zal er zijn gedurende elke hartslag

en ademhaling die Ik je geef.

En als je je zorgen maakt

en niet meer verder kan,

kijk dan omhoog,

Ik ben lang geleden diezelfde weg gegaan

en hij leidt naar waar je zo naar verlangt.

Kijk niet om, maar zie vooruit,

vertaling naar een lied van Phil Keaggy: “I will be there”.

Alles overwogen

Wanneer men spreekt over “geloof en gelovig zijn” denken velen aan een christelijke kerk. De Heilige Schrift echter spreekt niet over en verwijst ook niet naar welke kerk ook. Als de Bijbel het heeft over “geloof en geloven”, wil God de aandacht vragen voor wat Hij de mens aanbiedt, voor wat de condities zijn voor een diepgaand en heilzaam leven.

De geschiedenis bewijst dat welke kerk ook, slechts een verzameling is van individuen die een theorie aanvaard hebben, eigen aan de kerk waarvan zij lid zijn. Velen van hen zijn zich zelfs niet bewust van de betekenis van wat ze geloven. Vaak is men zelfs niet trouw aan de leer van de kerk waartoe men behoort.

De bron van geloof- en levenskracht wordt niet gevonden in een mens, wie of wat hij ook mag zijn of van zichzelf beweert te zijn. Jezus zegt dat de geloofsbron alleen gevonden wordt in elk woord dat van God uitgaat. (Matteüs 4:4;  Psalm 119:105;  Spreuken 6:21,22,23)

Het is dan ook bijzonder noodzakelijk de woorden van God (de goddelijke geloofsregels) te leren kennen en ze in alle eenvoud gelovig te aanvaarden, er niets aan toe te voegen en er niets van af te doen. (zie:Openbaring 22:18-19; Spreuken 30:5-6;  Deuteronomium 12:32; Deuteronomium 4:2;  Matteüs 5:17-19) 

Om die reden vraagt Jezus elk woord van God te aanvaarden, te beleven en anderen erin te onderwijzen. Wanneer iemand slechts een stukje van het geheel aanbiedt en met de rest geen rekening houdt, legt deze persoon een vernietigend element in wat hij aanbrengt. Dan zal de levenskracht van dat Bijbelgedeelte zijn waarde verliezen. Dan zal de herscheppende energie van de ware christelijke leer, de dynamische kracht van het leven, slechts gebrekkig of helemaal niet ervaren worden. Het is dan ook terecht dat Paulus bevestigt:

        Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.   2Timoteüs 3:16-17, H. St.

Voor alle veiligheid is het aanbevolen om de raadgeving van Paulus te volgen, zoals beschreven in Hebreeën 12:2:

     Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van het geloof. 

Voor alle veiligheid, laten we, welke kerkelijke geloofsregels ook, toetsen aan Gods geschreven woord opdat onze geloofsweg veilig gebouwd zou zijn op de Heilige Schrift.