Zingen over de liefde van God

De voorbije jaren ben ik in de studie van Gods woord gefascineerd geworden door vele zaken.

Eén van die zaken is de geschiedenis achter de klassieke lofliederen. Meestal is die achtergrond ongekend en dat is naar mijn gevoel een groot gebrek. Er schuilt achter ieder lied een hele geschiedenis, en je herinnert je zeker het verhaal van “Amazing Grace”, “Wees stil mijn ziel” en hoe “It is well” (Het is goed wat God mij beschikt), in dramatische omstandigheden zijn ontstaan. Als je het verhaal achter zo’n lied kent, kan je dat nooit meer onbewogen zingen. Automatisch word je teruggevoerd naar het getuigenis, het geloof, de kracht waarmee het is geschreven en gecomponeerd.

Veel van die liederen komen meer op de achtergrond en worden verdrongen door “modernere” gezangen. Het zou een verlies zijn voor de christelijke wereld, indien de oude lofliederen die zo dicht bij de Bijbel staan, die de woorden van de Bijbel in herinnering brengen, in de vergeethoek zouden raken. Veel van die gezangen zijn schuldbelijdenissen, gebeden, lofzangen op Gods grote werken, en dit zijn dingen die we nooit genoeg kunnen doen.

In Why Sing Hymns? (waarom lofliederen zingen?) worden erg waardevolle punten gesteld:

“De trend vandaag is de vervanging van traditionele lofliederen door hedendaagse praise-songs. Dit is geen goede trend, in het bijzonder voor de jeugd en nieuwe gelovigen die behoefte hebben aan een sterke leerstellige gerichtheid. Lofliederen presenteren duidelijke uitdrukkingen van goddelijke kennis en bijbelse waarheid.

Kol. 3:16 maant aan: ‘Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende de Here met aangenaamheid in uw hart’.

De meeste hedendaagse liederen missen deze benadrukking. Een moslim kan vele hedendaagse liederen zingen zonder enige tegenstrijdigheid te begaan met zijn geloof, want deze liederen neigen ertoe zich eerder te richten op onze affecties voor God dan op leerstellige waarheid. In tegenstelling hiermee kan een moslim geen traditionele christelijke lofzang zingen zonder uitdrukking te geven aan leringen die het islamitische geloof tegenspreken. Hedendaagse liederen laten gewoonlijk de identiteit van de God weg tot wie gezongen wordt, en zijn zo vaag dat ze voor gelijk welke “god” zouden gezongen kunnen worden. Zelfs gospelsongs nemen niet de plaats in van lofzangen die rijk zijn aan Bijbelse fundamenten.

Het afdanken van lofzangen is niet enkel onwijs maar ook gevaarlijk, want de identificatie en het karakter van ons christelijke geloof, hangen af van leerstellige onderscheidingen. Door het zingen van lofliederen die doordrongen zijn met bijna rechtstreeks uit de Bijbel geciteerde waarheid, helpen wij de jongere generaties zich te beschermen tegen de aanklacht: ‘de HEERE heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is’ – Hosea 4:1”.

De tekst van deze nieuwsbrief is een stukje uit de folder C270A – “De Hadamut”– waar je de rest van het artikel kunt lezen. Prachtige inspirerende gedachten uit de Bijbel voor geloofsverdieping, verdeeld over 10 mappen (Geloof, Bijbel, Schepping, Zonde, Verlossing, Bekering, Toekomst, Profetie, Beloften en HouVast) – elk uitgelegd in ongeveer 30 folders per map. Deze tekst maakt deel uit van C270A – Je kunt de complete folder downloaden onder “Download flyers” in Map 10 – HouVast.

Zoveel behoefte aan Vrede

De grootste behoefte van de wereld vandaag de dag is vrede. Verwoestende oorlogen in de afgelopen veertig jaar hebben veel landen failliet en ten onder gebracht, terwijl de honger hen in het gezicht staart, en ze hebben vrede nodig om te herstellen, een tijd van vrede waarin ze de verwoestingen van de jaren van oorlog kunnen herstellen. Landen die voorheen sterk en rijk waren, zijn vandaag zwak en arm en gaan ten onder. Zonder vrede zullen ze volkomen ten onder gaan.

Maar oorlog bedreigt de wereld vandaag als nooit tevoren. In veel landen woedt een burgeroorlog, en bijna een internationale oorlog, een wereldoorlog, doemt op aan de horizon, nu eens zwarter, dan weer lichter, maar altijd bedreigend om alles wat de moeite waard is te vernietigen. De media en tijdschriften staan ​​er vol van en we horen het elke dag.

De voor- en nadelen van de atoombom, van militaire allianties en van grote legers worden besproken en afgewogen. Sommigen pleiten ervoor dat het geheim van de bom met alle naties wordt gedeeld, en anderen suggereren de vernietiging van de middelen om de bom te vervaardigen en zweren het gebruik ervan af. Weer anderen zeggen dat het eigendom van de VN moet worden gemaakt, in de hoop dat de bom en de legers daardoor verenigd zullen worden en in gelijke mate vóór of tegen alle naties zullen zijn. Er zal dan vrede volgen – zeggen ze. Maar zal dat ook zo zijn? Het lijkt er nauwelijks op.

Mensen willen vrede. Niemand van enige betekenis wil oorlog. Toch lijkt het erop dat de oorlog ons wordt opgedrongen, en iedereen geeft de ander de schuld omdat hij de oorlog aan de wereld heeft opgedrongen. Het lijkt erop dat een macht de naties tegen hun wil tot oorlog dwingt. Wat kunnen we eraan doen? Dat is de vraag die veel geesten bezighoudt.

De mensen zien de noodzaak van vrede in en werken aan vrede, en er worden voorstellen gedaan om een ​​duurzame vrede tot stand te brengen en te verzekeren, waarin de wereld de hoogste hoogten van rijkdom en welvaart zou kunnen bereiken. Het is alsof de Aarde tussen de hel en het Paradijs zweeft, en terwijl ze ernstig verlangt het Paradijs binnen te gaan, voelt ze zich tegen haar wil in de hel getrokken.

Eén voorstel om aan deze situatie het hoofd te bieden werd door John Middleton Murry via het netwerk van de British Broadcasting Company uitgezonden en gepubliceerd in The Listener van 54 maart 1946, pagina’s 338 en 339. Professor Murry vatte het probleem kort samen en zei dat de mens in de afgelopen honderd jaar duizend keer machtiger is geworden dan hij was, en kan binnen de komende tien jaar nog duizend keer machtiger worden.

Met al deze machtstoename en enige verbetering op binnenlands gebied zijn de internationale betrekkingen verslechterd. Naties, zegt hij, zijn nu barbaarser dan een eeuw geleden. Wat is de remedie? 

Hier schuilt een groot gevaar waartegen wij voorbereid moeten zijn. Als de mensen ervan overtuigd raken dat de enige manier waarop vrede verzekerd kan worden is dat de kerk de staat regeert, als het christendom niet langer een persoonlijke aangelegenheid moet zijn, maar een kwestie van staatscontrole, dan zijn we terug in de middeleeuwen, met alle gevolgen van dien. De intolerantie en vervolging van het individu dat ernaar verlangt God te aanbidden zoals hij ervan overtuigd is dat hij dat zou moeten doen staat op het spel. Hopeloze situaties vereisen hopeloze remedies, maar een remedie die de zaken veel erger zou maken dan ze zijn, zal niet verwelkomd worden. Kunnen mensen nooit leren dat de enige weg naar vrede de weg van Gods geboden is? (Jes. 48:18.)

De tekst van deze nieuwsbrief is een stukje uit de folder C63 – Putten nieuwe kracht – waar je de rest van het artikel kunt lezen. Prachtige inspirerende gedachten uit de Bijbel voor geloofsverdieping, verdeeld over 10 mappen (Geloof, Bijbel, Schepping, Zonde, Verlossing, Bekering, Toekomst, Profetie, Beloften en HouVast) – elk uitgelegd in ongeveer 30 folders per map. Deze tekst maakt deel uit van C63 – Je kunt de complete folder downloaden onder “Download flyers” in Map 2 – De Bijbel.

Zonder kennis

Een wereld zonder kennis van de ware God

Kijk naar de wereld om ons heen. De theorie van de evolutie, gebaseerd op het idee dat de wereld en alles daarin uit het niets ontstaan is, domineert het denken van de meeste hoog opgeleiden. De meeste geleerden spotten met het idee dat de schepping een nadenkende, doelbewuste, almachtige Schepper vereist. Zelfs vele belijdende christelijke geleerden accepteren deze zienswijze. Door het onderhouden van de zevende dags Sabbat echter, worden diegenen die trouw de Tien Geboden gehoorzamen in constante herinnering gehouden, dat hun geloof gefundeerd is op het bestaan van een echte Schepper.

We lezen: “Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (Hebreeën 11:3). Dat geloof is niets minder dan een onwankelbaar vertrouwen dat de Bijbel werd geïnspireerd door de Geest van God en nauwkeurig openbaart hoe de wereld, en de mensheid, tot stand zijn gekomen.

God openbaart weinig details over hoe Hij het universum creëerde – alleen dát Hij het schiep. Het onderhouden van de Sabbat brengt dat feit in onze gedachten elke week naar voren. God wil niet dat we dit begrip verliezen. Hij weet dat een ieder die deze kennis negeert het zicht verliest op wie en wat Hij is. Dat is hoe cruciaal deze kennis is.

Dat is ook waarom de wekelijkse naleving van de Sabbat zo belangrijk is voor onze relatie met onze Schepper. Het houdt ons in constante herinnering dat we de Schepper van het universum aanbidden.

De Sabbat is niet slechts een herinnering aan een ooit gedane schepping. God beëindigde het fysieke deel van Zijn schepping in zes dagen. Echter, het geestelijke deel is nog steeds gaande. De Sabbat is de voornaamste dag waarop de geestelijke schepping – de schepping van de nieuwe mens in Christus – plaatsvindt. Zoals de apostel Paulus zegt: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Korinthiërs 5:17).

De nieuwe geestelijke schepping is intern – in het hart en karakter van elk mens. Het begint wanneer “gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid” (Efeziërs 4:22-24). Deze “nieuwe mens… wordt vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper” (Kolossenzen 3:10).

Geestelijk karakter kan niet alleen door onze eigen wil komen. De “oude mens”zal uiteindelijk toegeven aan de zwakheden en invloeden van de menselijke natuur. Paulus somt deze strijd op: “Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet.Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik”(Romeinen 7:1819).

De tekst van deze nieuwsbrief is een stukje uit de folder 10C – Twee Wegen / in Map 4 – over zonde en dood – Het is een nieuw project met een wekelijkse digitale folder. Prachtige inspirerende gedachten uit de Bijbel voor geloofsverdieping, verdeeld over 10 mappen (Geloof, Bijbel, Schepping, Zonde, Verlossing, Bekering, Toekomst, Profetie, Beloften en HouVast) – elk uitgelegd in ongeveer 30 folders per map. Deze tekst maakt deel uit van 10C – Je kunt de complete folder downloaden onder “Download flyers” in Map 10 – HouVast

De laatste vijand

Het is opvallend hoeveel dichters, componisten en schrijvers er in de loop der tijd een relatie hebben gelegd tussen de Herfst en het afscheid nemen van dit leven. Het is niet toevallig dat in onze westerse traditie deze periode van het jaar werd uitgekozen om op een of andere manier diegenen te herdenken die van ons zijn heengegaan.

In deze tijd praten we niet graag meer over dood en sterven. Soms heb ik de indruk dat dit onderwerp het enige taboe is dat overeind bleef. Je mag over alles praten, op alles kritiek uitoefenen, over alles je eigen mening verkondigen maar over dood en sterven wordt liever niet gesproken. Mensen weten er blijkbaar geen raad mee.

Ik vind dat niet abnormaal. Zelf heb ik het er ook moeilijk mee, niet dat ik het niet begrijp en niet dat ik geen hoop heb, of ook niet dat ik niet weet wat er met de doden is en dat de dag komt dat allen die in de graven zijn en die hun hoop op Hem hebben gesteld,  Jezus’ stem zullen horen en zullen opstaan. Ik vertrouw op Gods woord en houd vast aan Zijn beloften. Het is de waarheid die vast en zeker is en niet zomaar een zoethoudertje. Alleen zie ik het verdriet van anderen bij de scheiding van een geliefd persoon. Hoe kun je een persoon, die kort geleden iemand heeft verloren die hem of haar heel dierbaar was, troost brengen? Hoe ga je met zo’n diep verdriet om? 

Jarenlang heb je iemand door en door gekend, je hebt lief en leed gedeeld, je beleefde de intiemste momenten… maar dat alles is voorgoed voorbij. Het komt nooit meer terug. Alleen de gedachten, de herinneringen… Want de dood is voor mensen zo “definitief”, “onomkeerbaar”. 

Je kunt misschien bijna alles wat in de Bijbel staat ontkennen en tegenspreken maar tegen een aantal uitspraken in verband met de dood heb je geen verweer:

“En zoals het de mensen beschikt is, eenmaal te sterven” Hebreeën 9:27.

Of een misschien meer bekende uitspraak uit het boek Psalmen:

“De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; wat daarin onze trots was, is moeite en leed, want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.” (Psalm 90:10)

Ik weet dat er lezers zijn die deze magische grens van 80 reeds voorbij zijn; dat zijn dan de héél sterken.

Alhoewel het onderwerp “de dood” en alles wat ermee te maken heeft, niet populair is, wil ik toch stil staan bij wat de Bijbel ons over de dood en over het leven na dit leven wil leren. Omdat ik geloof dat het heel belangrijk is dat we daar een duidelijk inzicht in hebben; omdat ik denk dat we anderen pas op de juiste manier kunnen troosten en bemoedigen wanneer we zelf doordrongen zijn van wat Jezus ons hierover te vertellen heeft. Omdat we geen boodschap van leven kunnen brengen als we over de dood zwijgen.

Ik geloof dat wij zelf pas een zinvol en vreugdevol leven kunnen hebben, wanneer we een juist besef hebben van wat ons na dit leven te wachten staat. Ik werd me daar van bewust toen ik deze uitspraak las: “Je kunt pas echt leven, wanneer je geen angst meer hebt om te sterven”.

Dat vond ik een heel rake opmerking. Je kunt pas echt genieten van dit leven, wanneer je je angst om te sterven hebt overwonnen. Je kunt enkel en alleen een diepere zin aan dit leven geven, wanneer je je bewust begint te worden dat het einde van ons verblijf op deze aarde niet het einde van het leven hoeft te betekenen, maar dan moet je daar wel naar leven. 

De belangrijkste woorden, die ooit op deze wereld werden uitgesproken, zijn deze woorden van Jezus, zoals opgetekend in Johannes 11:25: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven”.

Door deze uitspraak heeft Jezus aan het woord “leven” een nieuwe betekenis gegeven. Sinds Jezus deze woorden heeft uitgesproken is het leven niet langer een periode die begint bij onze geboorte en die eindigt bij ons sterven. Neen! Hier leert Jezus ons dat het leven na dit leven verder gaat voor wie in Hem gelooft.


De tekst van deze nieuwsbrief is een stukje uit de folder C113 / Zonde & Dood – Het is een nieuw project met een wekelijkse digitale folder. Prachtige inspirerende gedachten uit de Bijbel voor geloofsverdieping, verdeeld over 10 mappen (Geloof, Bijbel, Schepping, Zonde, Verlossing, Bekering, Toekomst, Profetie, Beloften en HouVast) – elk uitgelegd in ongeveer 30 folders per map. Deze tekst maakt deel uit van C113 . Je kunt de complete folder downloaden onder “Download flyers”.

Meer lezen :

Ben je ook geïnteresseerd in de volgende flyers (C114 tot C120), Discussies over de dood waarin Steve Wohlberg alle bijbelse gedachten samenbrengt, bijvoorbeeld : Deel 1: Kunnen we met de doden praten? … geïnteresseerd? stuur ons een mail met de vraag voor deze serie van 7 flyers. Je ontvangt spoedig een downloadlink.

Golgotha

Denk elke dag aan wat Jezus voor jou heeft gedaan, aan Zijn leven, Zijn woorden, Zijn werken en vooral aan Zijn offer dat Hij bracht voor jou. U en ik zijn verloren mensen, er zou geen toekomst zijn voor ons, als niet Iemand de prijs zou hebben betaald voor onze zonden.

In “De Wens der Eeuwen beschrijft E.G.White de gebeurtenissen die plaatsvonden op Golgotha. Heel de hemel en de wereld keek toe.

‘En toen zij aan de plaats gekomen waren die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar.” (Luc.23:33)

“Ten einde Zijn volk door Zijn eigen bloed te heiligen”, heeft Christus “buiten de poort geleden.” (Hebr.13:12) Vanwege de overtreding van de wet van God werden Adam en Eva uit Eden verbannen. Christus moest, als onze plaats­vervanger, lijden buiten de grenzen van Jeruzalem. Hij stierf buiten de poort, waar misdadigers en moordenaars werden terecht­gesteld. Vol betekenis zijn de woorden: “Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden.” (Gal.3:13)

Een grote menigte volgde Jezus van het gerechtsgebouw naar Golgotha. Het nieuws van Zijn veroordeling had zich door geheel Jeruzalem verbreid, en mensen van alle standen en rangen stroomden naar de plaats der kruisiging. De priesters en oversten waren door een belofte gebonden de volgelingen van Christus geen geweld aan te doen, indien Hijzelf aan hen werd overgeleverd, en de discipelen en de gelovigen uit de stad en de omgeving sloten zich aan bij de menigte die de Heiland volgde.

Toen Jezus voorbij de poort van het hof van Pilatus ging, werd het kruis dat voor Barabbas was gereedgemaakt, op Zijn gekneusde, bloedende schouders gelegd. Twee makkers van Barabbas zouden op dezelfde tijd als Jezus ter dood worden gebracht, en ook op hen werden kruisen ge­legd. De last van de Heiland was te zwaar voor Hem in Zijn zwakke, pijnlijke toestand.

Sinds het paschamaal met Zijn discipelen had Hij gegeten noch gedronken. Hij had in Gethsemane ten dode toe gestreden met satanische machten. Hij had de zielesmart van het verraad verdragen, en gezien hoe Zijn discipelen Hem in de steek lieten en vluchtten. Hij was naar Annas gevoerd, daarna naar Kajafas, toen naar Pilatus. Van Pilatus was Hij naar Herodes gezonden, en dan weer naar Pilatus. Van de ene belediging tot de volgende, van bespotting tot bespotting, tweemaal gemarteld door geseling – die gehele nacht was het ene toneel na het andere van dien aard geweest, dat daardoor de menselijke ziel tot het uiterste beproefd moest worden. Christus had niet gefaald. Hij had slechts woorden gesproken die erop gericht waren God te verheerlijken.

Gedurende de gehele schandelijke vertoning van Zijn verhoor had Hij Zich vastbesloten en waardig gedragen. Maar toen na de tweede geseling het kruis op Hem werd gelegd, kon Zijn menselijke natuur het niet meer verdragen. Hij bezweek onder Zijn last.

De schare die de Heiland volgde, zag Zijn zwakke wankele schreden, maar ze toonde geen medelijden. Zij hoonden en beschimpten Hem, omdat Hij het zware kruis niet kon dragen. Opnieuw werd Hem de last opge­legd, en opnieuw viel Hij uitgeput ter aarde. Zijn vervolgers zagen, dat het onmogelijk voor Hem was, Zijn last verder te dragen. Zij vroegen zich af, of zij iemand konden vinden die de vernederende last zou kunnen torsen. De Joden zelf konden dit niet doen, omdat de veront­reiniging hen zou verhinderen het Pascha te vieren. Zelfs niemand uit het gepeupel dat Hem volgde, zou zich vernederen om het kruis te dragen. Op dit ogenblik komt juist een vreemdeling, Simon van Cyrene, die van het land kwam, de menigte tegen. Hij hoort het gehoon en gespot van de menigte; hij hoort de woorden die vol verachting worden herhaald: Maak ruimte voor de Koning der Joden. Hij blijft staan, verwonderd over het schouwspel; en wanneer hij zijn medelijden uitspreekt, grijpen zij hem en leggen het kruis op zijn schouders.

Simon had over Jezus gehoord. Zijn zonen geloofden in de Heiland, maar hijzelf was geen discipel. Het dragen van het kruis naar Golgotha was een zegen voor Simon, en hij was sindsdien altijd dankbaar voor deze voorzienigheid. Het bracht hem ertoe het kruis van Christus te verkiezen en op te nemen, en voor altijd vol vreugde deze last te dragen.

In de menigte zijn er heel wat vrouwen die de onschuldig veroordeelde volgen naar de plaats waar Hij op wrede wijze zal sterven. Hun aandacht is op Jezus gericht. Sommigen van hen hebben Hem reeds eerder gezien. Sommigen hebben hun zieken en lijdenden tot Hem gebracht. Sommigen zijn zelf genezen. Het verhaal van de dingen die hebben plaatsgevonden, komt ter sprake. Zij verwonderden zich over de haat van de schare jegens Hem, voor Wie hun eigen harten vertederen en bijkans breken. En niet­te­genstaande het optreden van de woedende massa en de boze woorden van de priesters en oversten, geven deze vrouwen uiting aan hun medeleven. Wanneer Jezus uitgeput onder het kruis neervalt, breken zij uit in droeve klachten.’

Dit was het enige dat de aandacht van Christus trok. Hoewel Hij zeer leed, terwijl Hij de zonden der wereld droeg, stond Hij niet onverschillig tegenover een uiting van smart. Hij keek deze vrouwen met teder mede­dogen aan. Zij geloofden niet in Hem. Hij wist dat ze Hem niet beklaagden als iemand die van God gezonden was, maar dat zij werden bewogen door gevoelens van menselijk medelijden. Hij verachtte hun medelijden niet, maar in Zijn hart ontwaakte een diepe sympathie voor hen. “Dochters van Jeruzalem”, zei Hij, “weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen.” (Luc.23:28)

Van het toneel voor Zijn ogen zag Christus vooruit naar het ogenblik van Jeruzalems verwoesting. Bij de verschrikkelijke gebeurtenis zouden velen van hen die nu om Hem weenden, met hun kinderen omkomen.

Van de val van Jeruzalem gingen de gedachten van Jezus naar een groter oordeel. In de verwoesting van de onboetvaardige stad zag Hij een symbool van de uiteindelijke verwoesting die over de wereld zou komen. Hij zei: “Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal met het dorre geschieden?” (Luc.23:30,31) Met het groene hout stelde Jezus Zichzelf voor, de onschuldige Verlosser. God liet toe, dat Zijn toorn over de overtreding op Zijn geliefde Zoon viel. Jezus zou voor de zonden der mensen worden gekruisigd. Welk lijden zou dan de zondaar die voortging te zondigen, moeten dragen? Ieder die geen berouw toonde en niet geloofde, zou smart en ellende ondervinden, die met geen woorden kunnen worden beschreven.

Velen van de menigte die de Heiland naar Golgotha volgde, hadden Hem met vreugdevol hosannageroep en wuiven van palmtakken begeleid, toen Hij triom­fantelijk Jeruzalem binnenreed. Maar niet weinigen van degenen die Hem toen hadden toegejuicht, omdat iedereen dit deed, uitten nu de kreet: “Kruisig Hem! Kruisig Hem!” (Luc.23:21)

Toen Christus Jeruzalem binnenreed, waren de verwachtingen van de discipelen ten top gestegen. Zij waren dicht bij hun Meester gebleven, daar zij gevoelden dat het een grote eer was, met Hem verbonden te zijn. Nu, in Zijn vernedering, volg­den zij Hem op een afstand. Zij waren met smart vervuld, en gingen gebukt onder hun teleur­gestelde verwachtingen. Hoe werden de woorden van Jezus bewaarheid: “Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.” (Matth.26:31)

Toen ze op de plaats van de terechtstelling aankwamen, werden de gevangenen op de martelwerktuigen gebonden. De twee rovers verzetten zich hevig in de greep van degenen die hen op het kruis legden; maar Jezus bood geen tegenstand. Ondersteund door Johannes, de geliefde discipel, had de moeder van Jezus de schreden van haar Zoon naar Golgotha gevolgd. Ze had gezien, hoe Hij bezweek onder de last van het kruis, en had verlangd een steunende hand te leggen onder Zijn gewonde hoofd, en dat voorhoofd, dat eens aan haar borst had gerust, af te wissen.

Maar dit droeve voorrecht werd haar niet verleend. Met de discipelen koesterde zij nog steeds de hoop, dat Jezus Zijn macht zou openbaren en Zich van Zijn vijanden zou bevrijden. Opnieuw ontzonk haar de moed, wanneer zij terugdacht aan de woorden waarmee Hij juist die dingen die nu plaats­vonden, had voorzegd. Terwijl de rovers op het kruis werden gebonden, keek zij met angstige spanning toe. Zou Hij, Die het leven aan de doden had gegeven, toelaten dat Hijzelf werd gekruisigd?

Zou de Zoon van God dulden, dat Hij zo wreed werd gedood? Moest zij haar geloof, dat Jezus de Messias was, opgeven? Moest ze getuige zijn van Zijn schande en smart, zonder zelfs het voorrecht te hebben Hem in Zijn lijden bij te staan? Zij zag hoe Zijn handen waren uitgestrekt op het kruis; de hamer en de spijkers werden gebracht, en toen de nagels werden gedreven door het tere vlees, droegen de tot in de ziel getroffen discipelen de be­zwijmende gestalte van de moeder van Jezus weg van het wrede gebeuren. Geen klacht kwam over de lippen van de Heiland. Zijn gelaat bleef kalm en vredig, maar grote droppels zweet stonden op Zijn voorhoofd. Er was geen medelijdende hand om het doodszweet van Zijn gelaat te wissen, noch klonken er woorden van deelneming en onveranderlijke trouw om Zijn menselijk hart te versterken. Terwijl de soldaten hun verschrikkelijk werk verrichtten, bad Jezus voor Zijn vijanden: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” (Luc.23:34)

Zijn gedachten dwaalden af van Zijn eigen lijden naar de zonde van Zijn vervolgers, en naar de verschrik­kelijke vergelding die hun deel zou zijn. Er werden geen vervloekingen uitgesproken over de soldaten die Hem zo ruw behandelden.

Geen wraak werd ingeroepen over de priesters en oversten die zich verlustigden over de voltooiing van hun plan. Christus beklaagde hen in hun onwetendheid en schuld. Hij fluisterde voor hun vergiffenis alleen een verontschuldiging: “Want zij weten niet wat zij doen.” (Luc.23:34)

Indien zij geweten hadden, dat zij Iemand Die gekomen was om een zondig geslacht van de eeuwige ondergang te redden, overgaven om te worden gemarteld, dan zouden ze door zelfverwijt en afschuw zijn aan­gegrepen. Maar hun onwetendheid nam hun schuld niet weg; want het was hun voorrecht Jezus te kennen en aan te nemen als hun Heiland.

De tijden zijn niet veranderd. Mensen lijden nog steeds aan dezelfde kwalen als hoogmoed , egoïsme, bezitsdrang, geven zich over aan uitspattingen en laagheid. In onwetendheid wordt ook vandaag geweld gepleegd, worden mensen misleid en wordt onrecht bedreven. En nog steeds bidt Jezus – onze hemelse Pleiter – dat we zouden vergeven mogen worden… in de hoop dat de dag komt dat elke mens erbij stilstaat dat men verloren is, en Jezus ziet als de enige hoop. Denk erover na wat Jezus deed en leed – voor U

Lees verder in: Ellen G.White. ‘De wens der eeuwen’

Hij is opgestaan

“Na zijn opstanding verscheen Jezus aan zijn discipelen op de weg naar Emmaüs. „En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” (Lucas 24:27). Dit gesprek greep de discipelen erg aan. Hun geloof werd erdoor gesterkt. Zij waren „wedergeboren tot een levende hoop”, zelfs voordat Jezus zich aan hen had geopenbaard.

Christus wilde hun meer inzicht geven en hun geloof vestigen op „het vaste woord der profetie.” Hij wilde dat de waarheid goed tot hen doordrong, niet alleen omdat deze waarheid door zijn persoonlijk getuigenis werd bevestigd, maar ook vanwege de onbetwistbare bewijzen van de symbolen en beelden van de schaduwdienst en van de profetieën van het Oude Testament. De volgelingen van Christus moesten een geloof hebben waar ze rekenschap van konden afleggen. Dit was niet alleen in hun eigen belang, maar ook in het belang van de wereld, die Christus door hun getuigenis moest leren kennen.

Bij het overdragen van deze kennis wees Jezus, als eerste stap, zijn discipelen op “Mozes en al de profeten”.

Deze uitspraak van de opgestane Heiland toont aan welk belang Hij aan het Oude Testament hechtte.

Er kwam een ingrijpende verandering in het hart van de discipelen toen ze het gezicht van hun geliefde Meester weer zagen! (Lucas 24:32). Zij herkenden in Christus „Hem van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten.” Onzekerheid, angst en wanhoop maakten plaats voor absolute zekerheid en een onwankelbaar geloof. Het spreekt vanzelf dat zij na zijn opstanding „voortdurend in de tempel waren, lovende God.”

De mensen die alleen wisten dat Christus een smadelijke dood was gestorven, verwachtten dat het gezicht van de discipelen door verdriet, verwarring en wanhoop getekend zou zijn. Ze straalden echter van blijdschap en overwinning. De discipelen waren grondig voorbereid op het werk dat vóór hen lag. Zij hadden de zwaarste beproeving die zij konden meemaken aan den lijve ondervonden. Zij hadden gezien dat toen naar menselijke berekening alles hopeloos scheen, het Woord van God toch was uitgekomen. Voortaan zou niets hun geloof nog doen wankelen of hun vurige liefde kunnen verminderen. Toen hun verdriet het ergst was, hadden zij „een krachtige aansporing”; de hoop, „een anker der ziel, dat veilig en vast is.” (Hebreeën 6:18,19).

Zij waren getuige geweest van de wijsheid en kracht van God en waren verzekerd dat „noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.”

Ze zeiden: „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.” (Romeinen 8:3839,37). „Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid.” (l Petrus 1:25). „Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die te rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.” (Romeinen 8:34).

Uit : De Grote Strijd / E.G.White / hoofdstuk: Licht in de duisternis