Om met U stil in Uw schaduw

“Dit goede nieuws dat Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften…” — Romeinen 1:2
Zou iemand kunnen beschrijven hoe het leven op aarde er over zevenhonderd jaar uit zal zien, mocht Christus nog niet zijn gekomen*. We kunnen het ons niet voorstellen. We kunnen zelfs de technologische uitdagingen van onze eigen tijd niet bijbenen. Toch werd elk aspect van de geboorte, het leven en de bediening van Jezus zoveel eeuwen vóór Zijn geboorte voorspeld.
Doorheen de profetische boeken krijgen we te lezen dat Hij geboren zou worden uit een maagd (Jesaja 7:14) in de stad Bethlehem (Micha 5:2) en dat onschuldige kinderen gedood zouden worden (Jeremia 31:15). Hij zou een nakomeling zijn van Abraham en David (Jesaja 11:1-3). Zijn ouders zouden naar Egypte vluchten om Hem te redden (Hosea 11:1), en Hij zou terugkeren om op te groeien en Zijn bediening te beginnen in Galilea (Jesaja 9:1-2).
En dat is nog maar het begin!
Op weg naar Emmaus met Zijn twee discipelen “citeerde Jezus hen passage na passage uit de geschriften van de profeten, beginnend bij het boek Genesis en verdergaand door de Schrift, en legde uit wat de passages betekenen en wat ze over Hem zeggen” (Lucas 24:27).
Dat is één van de gedachten die mij in 1977 tot nadenken stemden, toen ik deze tekst van Felix Timmermans toegestuurd kreeg als kerstwens:
Door de neevlen van den avond
pint de horen van de maan.
‘k Wacht hier op de leege baan
om met U, stil in Uw schaduw
mee naar Emmaus te gaan.
..
We hebben een Redder die sceptici onmogelijk kunnen ontkrachten! Zoals de profetieën uit het verleden een vervulling hebben gekregen, zo zullen ook de profetieën ivm de eindtijdgebeurtenissen vervuld worden. Wij hebben een Heer die we vandaag kunnen vertrouwen!

Het Nieuwe Testament is de sleutel tot het ontsluiten van de betekenis van de Oudtestamentische geschriften.” — Josh McDowell
Op dezelfde manier kan het Nieuwe Testament niet begrepen worden, zonder het Oude Testament.
* Het is bijna 2000 jaar sinds de woorden “Het is volbracht” klonken vanaf de schedelplaats. Alles wijst erop dat De Here komt en zal niet wachten. De velden zijn rijp voor de oogst! De omstandigheden laten niet toe dat Jezus nog lang zal wachten!

Hij is opgestaan

“Na zijn opstanding verscheen Jezus aan zijn discipelen op de weg naar Emmaüs. „En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” (Lucas 24:27). Dit gesprek greep de discipelen erg aan. Hun geloof werd erdoor gesterkt. Zij waren „wedergeboren tot een levende hoop”, zelfs voordat Jezus zich aan hen had geopenbaard.

Christus wilde hun meer inzicht geven en hun geloof vestigen op „het vaste woord der profetie.” Hij wilde dat de waarheid goed tot hen doordrong, niet alleen omdat deze waarheid door zijn persoonlijk getuigenis werd bevestigd, maar ook vanwege de onbetwistbare bewijzen van de symbolen en beelden van de schaduwdienst en van de profetieën van het Oude Testament. De volgelingen van Christus moesten een geloof hebben waar ze rekenschap van konden afleggen. Dit was niet alleen in hun eigen belang, maar ook in het belang van de wereld, die Christus door hun getuigenis moest leren kennen.

Bij het overdragen van deze kennis wees Jezus, als eerste stap, zijn discipelen op “Mozes en al de profeten”.

Deze uitspraak van de opgestane Heiland toont aan welk belang Hij aan het Oude Testament hechtte.

Er kwam een ingrijpende verandering in het hart van de discipelen toen ze het gezicht van hun geliefde Meester weer zagen! (Lucas 24:32). Zij herkenden in Christus „Hem van wie Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten.” Onzekerheid, angst en wanhoop maakten plaats voor absolute zekerheid en een onwankelbaar geloof. Het spreekt vanzelf dat zij na zijn opstanding „voortdurend in de tempel waren, lovende God.”

De mensen die alleen wisten dat Christus een smadelijke dood was gestorven, verwachtten dat het gezicht van de discipelen door verdriet, verwarring en wanhoop getekend zou zijn. Ze straalden echter van blijdschap en overwinning. De discipelen waren grondig voorbereid op het werk dat vóór hen lag. Zij hadden de zwaarste beproeving die zij konden meemaken aan den lijve ondervonden. Zij hadden gezien dat toen naar menselijke berekening alles hopeloos scheen, het Woord van God toch was uitgekomen. Voortaan zou niets hun geloof nog doen wankelen of hun vurige liefde kunnen verminderen. Toen hun verdriet het ergst was, hadden zij „een krachtige aansporing”; de hoop, „een anker der ziel, dat veilig en vast is.” (Hebreeën 6:18,19).

Zij waren getuige geweest van de wijsheid en kracht van God en waren verzekerd dat „noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.”

Ze zeiden: „In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.” (Romeinen 8:3839,37). „Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid.” (l Petrus 1:25). „Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die te rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.” (Romeinen 8:34).

Uit : De Grote Strijd / E.G.White / hoofdstuk: Licht in de duisternis