Hij sprak in gelijkenissen

In Christus’ onderwijs door gelijkenissen is hetzelfde beginsel zichtbaar als in zijn zending naar deze wereld. Christus heeft onze natuur op Zich genomen om onder ons te wonen, zodat wij bekend zouden worden met zijn goddelijk karakter en leven. Goddelijkheid was bekleed met menselijkheid, de onzichtbare heerlijkheid in de zichtbare menselijke gestalte. Door bekende dingen kon de mens het onbekende leren kennen. Hemelse dingen werden door aardse geopenbaard. God werd geopenbaard in de gedaante van de mens. Dit was ook het geval met de woorden die Christus sprak. Onbekende dingen werden door bekende zaken geïllustreerd, goddelijke waarheden bekend gemaakt door aardse dingen, waarmee de mensen vertrouwd waren.

De Schrift zegt: “Dit alles zei Jezus in gelijkenissen tot de scharen . . . opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zei: Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is.” (Mattheüs 13:34-35)

Natuurlijke zaken werden gebruikt om geestelijke dingen duidelijk te maken. Dingen uit de natuur en uit het leven van zijn toehoorders werden verbonden met de waarheden van het geschreven Woord. Door op deze wijze de aandacht van de aardse dingen te richten op het geestelijk koninkrijk, zijn de gelijkenissen van Christus schakels in de keten van waarheid die de mens met God, en de hemel met de aarde verbindt.

In zijn onderricht uit de natuur sprak Christus over de dingen die Hij zelf had gemaakt en die eigenschappen en krachten bezaten die Hij zelf daaraan had gegeven. In hun oorspronkelijke volmaaktheid waren alle geschapen voorwerpen een uiting van Gods gedachten. Voor Adam en Eva was de natuur in hun tehuis in het paradijs vol van de kennis van God en stroomde over van goddelijk onderricht. De wijsheid sprak tot het oog en werd opgenomen in het hart, want zij spraken met God door middel van zijn geschapen werken. Toen het eerste mensenpaar de wet van de Allerhoogste had overtreden, verdween Gods heerlijkheid uit de natuur. Nu is de aarde geschonden en door zonde verontreinigd. Toch is ook nog in deze geschonden toestand veel moois overgebleven. Gods gelijkenissen zijn niet uitgewist. Wanneer de natuur goed begrepen wordt, spreekt deze nog steeds van haar Schepper.

In de tijd van Christus had men deze lessen uit het oog verloren. De mens ontdekte God vrijwel niet meer in zijn werken. De zondigheid van het mensdom had een lijkkleed geworpen over de schoonheid van de schepping en in plaats van God te openbaren, werden zijn werken een scheidsmuur, die Hem voor het oog verborg. De mensen aanbaden het schepsel boven de Schepper. Op deze wijze zijn de overleggingen van de heidenen op niets uitgelopen en is het duister geworden in hun onverstandig hart. (Romeinen 1:25,21) Zo waren in Israël de leerstellingen van mensen gekomen in de plaats van wat God had gezegd. Niet alleen de dingen uit de natuur, maar ook de offerdienst en de Schriften zelf, gegeven om God bekend te maken, werden zó verdraaid dat ze juist middelen werden om God te verbergen.

Christus trachtte weg te nemen wat  de waarheid had verduisterd. Hij kwam om de sluier die door de zonde over het gelaat van de natuur was geworpen, opzij te schuiven en de geestelijke heerlijkheid, die alle geschapen dingen moesten weerkaatsen, weer aan het licht te brengen. Zijn woorden plaatsten de leerstellingen van de natuur en die van de Bijbel in een nieuwe samenhang en maakten er een nieuwe openbaring van.

Jezus plukte de prachtige lelie en gaf die in handen van kinderen en jongeren. Terwijl zij opblikten naar zijn jeugdig gelaat, verlicht door de zonneschijn van het gelaat van zijn Vader, gaf Hij hun de les: ‘Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.’ Daarop volgde de heerlijke zekerheid en de belangrijke les: ‘Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?’

In de Bergrede werden deze woorden behalve tot kinderen en jongeren ook gericht tot anderen. Ze werden gericht tot de verzamelde mensen, waaronder mannen en vrouwen waren die bezorgd en verslagen, teleurgesteld en verdrietig waren. “Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken of waarmede zullen wij ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit.

Want uw hemelse Vader weet dat gij dit alles behoeft.” Toen breidde Hij zijn handen uit over de omringende schare en zei: “Maar zoekt eerst zijn koninkrijk en zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.” (Mattheüs 6:28-33)

Op deze manier verklaarde Jezus de boodschap die Hij zelf aan de leliën en aan het gras van het veld had gegeven. Hij wil dat wij deze lezen in elke bloem en in iedere grasspriet. Zijn woorden zijn vol beloften en zijn bedoeld om het vertrouwen in God te versterken.

wordt vervolgd

Verlost

Er bestaat vandaag een terughoudendheid bij sommige christenen om de gedachten van heiligheid en geluk samen te brengen. Op een of andere manier vinden zij dat toegewijde christenen somber en ernstig moeten zijn. Geluk lijkt iets oneigens te zijn, op een bepaalde manier besmet met een geest die in tegenstrijd is met de ware liefde voor God. Vanuit dit oogpunt behoren vreugde en Jezus niet in één adem genoemd te worden, want dat brengt de ware eerbied voor God in gevaar.

Maar die gedachten komen niet uit de Bijbel. Kijk eens wat daar gezegd wordt:

“Hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis” (Jesaja 56:7).

“Verheugen zullen zich allen die bij u schuilen, altoos zullen zij jubelen” ʻPsalm 5:12).

En weer zegt de psalmist: “Zult Gij ons niet doen herleven, opdat uw volk zich in U verheuge?” Psalm 85:7.

Welke houding weerspiegelt het best het leven en werk van Jezus? Het evangelie vertelt ons dat zelfs de kinderen met vreugde tot de Heiland kwamen en dat zegt ons veel over zijn uitstraling.

Maar was onze Heer dan niet “een man van smarten, bekend met verdriet?” Natuurlijk was Hij dat. In het leven van elke christen komen zaken voor die het hart breken en ook dat van God. Elke christen kent de kwelling van het schuldgevoel en de tol van de tragedie. Voor elk van ons komt er een tijd om te treuren. Elke christen kent verdriet, als hij ziet dat de mensen waar hij van houdt een rampzalige keuze maken. Maar de vriendschap met Jezus leidt tot een vreugdevolle reis, zelfs wanneer ons pad langs verdriet voert.

In zijn bekendste prediking, de Bergrede, sprak Jezus over de formule voor blijdschap. Herhaaldelijk begint Hij zijn uitspraken met “Zalig zijn zij…” en beschrijft dan hoe men ware vreugde kan vinden door Hem te dienen.

Hoe kan een generatie die voor het oordeel staat een vreugdevol leven leiden? Wij vinden het antwoord in Psalm 98:4-9: “Juicht de HERE, gij ganse aarde, breekt uit in gejubel en psalmzingt. Psalmzingt de HERE met de citer, met de citer en met luide zang, met trompetten en met bazuingeschal; juicht voor de Koning, de HERE. De zee bruise en haar volheid, de wereld en wie erin wonen; dat de stromen in de handen klappen, de bergen tezamen jubelen voor het aangezicht des HEREN, want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in rechtmatigheid.”

Meditatie

‘Het hart is bedrieglijk boven alle dingen en erg slecht. Godsdienstleraars zijn niet bereid om zichzelf goed te onderzoeken om te zien of ze in het geloof staan. Het is een angstaanjagend feit dat velen steun zoeken bij een valse hoop. Sommigen steunen op een oude ervaring die ze jaren geleden hadden. Wanneer ze worden opgeroepen nu hun hart te onderzoeken, wanneer iedereen dagelijks ervaring zou moeten hebben met God, dan hebben ze niets te vertellen. Ze lijken te denken dat het aanspraak maken op de waarheid hen zal redden. Wanneer die zonden die God haat, worden onderworpen, dan zal Jezus binnenkomen en bij je zijn en jij zult met Hem zijn. Je zult dan goddelijke kracht aan Jezus ontlenen, en je zult met Hem samengroeien. In heilige triomf kun je dan zeggen: Gezegend zij God die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus.

Het zou de Heer aangenamer zijn geweest wanneer lauwe godsdienstleraars zijn naam nooit hadden genoemd. Ze zijn een voortdurende belasting voor degenen die getrouwe volgelingen van Jezus zouden kunnen zijn. Ze zijn een struikelblok voor ongelovigen, en boze engelen jubelen over hen en bespotten de engelen van God met hun kromme levenswandel. Zij zijn een vloek voor Gods zaak in binnen- of buitenland. Ze komen tot God met hun lippen, terwijl hun hart ver van Hem verwijderd is.”

Ellen White, Spiritual Gifts, vol 2, p. 227

‘Christus stelde de hoop op aardse grootheid teleur. In de Bergrede trachtte Hij het werk ongedaan te maken dat tot stand was gebracht door verkeerd onderricht, en Zijn toehoorders een juist begrip te geven van Zijn koninkrijk en Zijn eigen karakter. Toch viel Hij de dwalingen niet op directe wijze aan. Hij zag, dat de ellende van de wereld te wijten was aan de zonde, maar toch gaf Hij hun geen levendige beschrijving van hun jammerlijke staat. Hij leerde hun iets dat oneindig veel beter was dan hetgeen ze gekend hadden. Zonder hun ideeën over het koninkrijk Gods te bestrijden, vertelde Hij hun over de voorwaarden om daar binnen te gaan, en liet het aan henzelf over om daaruit op te maken wat de aard van dat koninkrijk was. De waarheden die Hij leerde, zijn niet minder belangrijk voor ons dan voor de menigte die Hem volgde. Wij hebben er niet minder dan zij behoefte aan de grondbeginselen van het koninkrijk Gods te leren kennen.’

Robert Louis Stevenson werd in 1850 in Edinburgh, Schotland geboren. Stevenson vertelde hoe hij op een avond, terwijl het kindermeisje hem klaarmaakte om naar bed te gaan, naar het raam glipte en hij zag iets wat hem betoverde. Hij zag iemand die de staartlantaarns aandeed. Hij ging van de ene gaslamp naar de volgende. Met kinderlijke verrukking riep hij zijn kindermeisje naar zich toe en zei: ‘Kijk naar die man! Hij prikt gaten in de duisternis!’