Genesis 1 – het project

IMG_1863

in een koffer van mijn vader lagen nog een vijftiental oude tubes met olieverf, waarvan de kleur niet meer leesbaar was van het etiket. Mijn vader had ooit geschilderd en het laatste wat ik uit die tijd kon terugvinden was 1939. Dus na tachtig jaar vond ik dat die olieverf lang genoeg werkloos in de tubes had gezeten, en ik besloot er iets mee te maken op doeken die ik twintig jaar geleden had gekocht. Met die vijftien tubes maakte ik één werk, terwijl ik al een week in gedachten liep met dat éne zinnetje “de aarde was woest en ledig en duisternis lag op de vloed”. Het is merkwaardig hoe je dat beleeft, terwijl je bezig bent met zo’n schilderij. Het werd een donker schilderij, met enkele kleurige accenten, en in het midden het vage schijnsel van licht, heel diep in de verte, van waar Hij, Die de Bron van licht is, bezig was met zijn scheppende gedachten, om Zijn grootse project uit te werken. Dat schilderij hangt hier nu al een jaar tegen de muur en elke avond, wanneer de zon laag zit en door de grote ramen naar binnen valt, is er een moment waarop het schilderij in het volle licht komt… Elke keer denk ik dan aan de volgende passage: “Er zij licht”. Wanneer die onderliggende kleuren vanonder het donker doorstralen, neemt het me mee naar die tijd, waarop de Schepper voorzag in de eerste voorwaarde voor het leven.

De voorbije 18 maanden ben ik gaan aftasten welke weg ik op wil met dat schilderen. En dat heeft al aardige resultaten opgeleverd, maar Genesis 1 liet me niet los. Ik moest er iets mee doen, dus ben ik daar zo’n zes maanden geleden mee begonnen – een poging om het wonderbare begin van het leven op aarde in beeld te brengen…

Het bovenstaande is nummer 5, waar staat “En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas”, maar bij het zesde kwam een stijlbreuk. Het werd een prachtig schilderij met een variatie aan vruchten, maar de stijl was zo anders, dat ik gedwongen werd om een ander schilderij te maken dat beter in het geheel paste.

Hetzelfde gebeurde toen ik kwam bij “Laat het water wemelen van wemelende levende wezens”. Dat is ook een mooi schilderij geworden, maar ook in een heel andere stijl en dus moet ik mijn werk overdoen voor dit onderdeel.

Dus als ik het allemaal een beetje bekijk, duurt het nog wel een maand of zes voor Genesis 1 compleet zal zijn, en ik sluit niet uit, dat wanneer ik alles naast elkaar zal zien en Genesis 1 woord voor woord zal overlopen, dat er nog aanpassingen moeten gebeuren – toevoegingen – weglatingen – verbeteringen… want een dergelijk project kan nooit af zijn.

We zijn nu nog in Spanje en over 14 dagen wordt het eerste gedeelte ingepakt en meegebracht. Mochten er mensen zijn die een idee willen hebben, hoe het eruit ziet, zijn we altijd bereikbaar, ook voor suggesties over hoe we hiermee zending kunnen doen en mensen eraan herinneren dat ze geschapen, geliefde en gekoesterde wezens zijn, met een aantal jaren op aarde – genoeg om de keuze te maken die er toe doet – die God doet besluiten hen te ontvangen als zonen en dochters.

Elke dag zijn we in de natuur en elke dag is er zo’n bijzonder AHA-moment. Vandaag zagen we de heerlijkheid van de Schepper weerspiegeld in het bergachtige landschap, in bloemen en planten, en in ons binnenste klinkt een lied dat ik als kind hoorde zingen “Wanneer ik door de velden ga, en zon en hemel gadesla, dan weet ik Heer hoe groot Gij zijt, en buig mij voor Uw majesteit.” In het besef hoe klein ik ben, tegenover een God die maar moet spreken en het staat er, is de nodige nederigheid gepast. Het is duizelingwekkend te denken dat die grote God zich bekommert om zo’n nietig en opstandig mensje als ik. En toch doet Hij het. En als het van Die God afhangt, gaat geen mens verloren, maar daar kan Hij niets aan doen. De prijs is betaald, maar is het antwoord gegeven?

Tot binnenkort !

 

De ark van Noach

HV Ark NoachHerinner je een vorig artikel, waarin we enkele argumenten aangaven om de schepping te accepteren als een vaststaand feit. In de Bijbel ontmoeten we echter nog andere verhalen die tot de verbeelding van kinderen spreekt. Kinderen nemen dergelijke verhalen meteen aan; volwassenen doen ze vaak van de hand als “verhalen”… Nochtans krij- gen we wereldwijd sporen van de “Vloed” – ook op grote hoogten.

Ik vond volgend artikel dat ons meeneemt naar de berg Ararat… misschien interessant om even na te lezen.

“Het is een door mensen gemaakt bouwsel, en het is zeker de Ark van Noach.” Met deze mededeling informeerde Salih Bayraktutan, het hoofd van de afdeling geologie aan de Turkse Atatürk- Universiteit, de wereldpers in januari 1994 over een vondst die wel eens de meest spectaculaire in de geschiedenis van de archeologie kan zijn.

De Turkse autoriteiten waren ervan overtuigd dat ze waren gestoten op de overblijfselen van het vaartuig dat Noach volgens het boek Genesis in opdracht van God had moeten bouwen om aan de Grote Zondvloed te ontsnappen. De regering was zo zeker van haar zaak dat ze de vindplaats tot nationaal park van bijzonder archeologisch belang verklaarde.

Als de Turkse autoriteiten het bij het rechte eind hebben, is deze ontdekking het eerste en meest duidelijke stukje bewijs dat het bijbelse verhaal over de Grote Zondvloed op historische feiten is gebaseerd. Maar hoe zagen de overblijfselen er eigenlijk uit? En in hoeverre leken ze op de beschrijving van de Ark in het boek Genesis?

Het bouwsel waar Bayraktutan naar verwijst in zijn persbericht is een rotsformatie die de vorm van een schip heeft. Het schip bevindt zich op zo’n 2000 meter hoogte in de uitlopers van het Tendürekgebergte in Oost-Turkije, ca. 28 km ten zuiden van de berg Ararat, die het meest werd genoemd als laatste rustplaats van de Ark.

Het gefossiliseerde schip werd voor het eerst gezien in 1959, toen de Turkse luchtmacht een routine- inspectie van het gebied deed. Eén van de toen gemaakte luchtfoto’s leek nadere studie waard. Er stond geen echt schip op, maar de hoogst ongewo- ne rotsformatie leek het silhouet te hebben van wat ooit een schip was. Opmerkelijk was dat de rotsfor- matie met zijn 157 meter lengte van gelijke lengte leek te zijn als de bijbelse maat van 300 el. (Als we uitgaan van de koninklijke Egyptische verhouding

van 0,52 meter op één el.) Met steun van de Turkse regering werd de Durupinar- vindplaats onderzocht door een groep die zich de Stichting voor Archeologisch Onderzoek noemde. De vindplaats was genoemd naar de Turkse legerkapitein Durupinar, die de rotsformatie had ontdekt in de zomer van 1960.

Maar na de eerste opgravingen, waarbij ook een deel van de gefossiliseerde formatie werd opgeblazen, wees op niets meer dan een natuurlijke ophoging van de aarde. Daarom werd verder onderzoek gestaakt en werd er in de volgende 24 jaar niets meer over de rotsformatie vernomen.

En toen, in de zomer van 1984, wist een Amerikaanse amateur- archeoloog, Ron Wyatt, de Turkse regering en een handvol geologen en “archeologen” ervan te overtuigen dat het de moeite waard was de vindplaats opnieuw te onderzoeken.

Met de hulp van de deskundige David Fasold leek Wyatt een vracht aan bewijsstukken te hebben verzameld dat de Durupinar-vindplaats aanwees als de Ark van Noach.

Onder de vele vondsten zouden zich een roestige metalen klamp bevinden, en een stuk rots dat volgens Wyatt versteend hout was. Beide voorwerpen zouden zijn gevonden op het dek van de Ark.

Overtuigend bewijs?

Wyatt zei ook te beschikken over bodemmonsters die erop wezen dat de rotsformatie meer organische koolstof bevatte dan het omliggende gebied. Deze afwijking bewees volgens hem dat er binnen in het schip verrot of versteend timmerhout aanwezig was.

Zo’n 22 km van de vindplaats verwijderd, bij het dorp Arzap vonden Wyatt en Fasold ook 13 reusachtige stenen, van het type waarmee volgens hen in de oudheid schepen werden vastgelegd. Deze “ankerstenen”, zoals ze werden genoemd, hadden een gewicht van een paar ton, waren 3 meter hoog, 1,5 meter dik en aan de onderkant 60 cm breed.

Op acht van de stenen stonden inscripties die volgens de twee direct verwezen naar de Ark van Noach. Bovendien hadden alle stenen gaten aan de bovenkant, waarschijnlijk om touw doorheen te steken. Volgens de onderzoekers bewezen de stenen dat het schip bij Durupinar enorm groot was. Ook konden de onderzoekers afleiden dat het op deze manier voor anker was gelegd, en dat het land waarop de stenen waren ontdekt, ooit onder water lag.

Belangrijke plek.

Wyatt en Fasold wezen op het feit dat diverse plaatsen in de buurt van de Durupinar-vindplaats van oudsher namen hebben die nauw verbonden lijken met het bijbelse verhaal van de Zondvloed. Een nabij gelegen vallei staat bekend “de streek van de acht”, een herinnering wellicht aan de acht mensen die aan boord van de Ark gingen, volgens de Schrift. Een dorpje in de buurt draagt een naam die vertaald kan worden met “raaf op het land”, hetgeen een verwijzing zou zijn naar de raaf die op de Ark werd losgelaten toen het water van de Zondvloed was gezakt. Hoewel dit slechts vage aanwijzingen waren besloot de Rector van de Atatürk-Universiteit een gemeenschappelijk internationaal onderzoeksproject te financieren dat in 1987 een ondergrondse, geofysische studie van het gebied moest maken. Met behulp van radar die in de grond kon doordringen, vond het team van deskundigen een bijna vlakke laag op zo’n 4 tot 8 meter onder het aardoppervlak.

Het was onduidelijk waar deze laag precies uit bestond, maar men beweerde dat dit het bovendek was van een soort vaartuig waarvan de bovenbouw allang verdwenen was. Er werd ook gezegd dat de radarbeelden op ongeveer 22 meter van de achtersteven zo duidelijk waren dat men de vloerdelen tussen de muren kon tellen. Bij een verdere analyse van het gebied met behulp van diverse metaaldetectoren, meende men sporen van ijzer te ontdekken die op regelmatige afstanden langs de lengte van het schip kris- kras symmetrische lijnen vormden. Wyatt opperde dat deze lijnen aangaven waar enor- me spijkers waren gebruikt om de Ark te bouwen, of zelfs de positie van de tralies van de hokken voor de dieren aan boord.

De geoloog dr. John Baumgardner van de Universiteit van Californië die deel uitmaakte van het team uit 1987, was erg enthousiast over de vondsten. Hij geloofde dat het bewijsmateriaal slechts op twee dingen kon wijzen: “Ofwel de laag bestaat uit de versteende resten van een van de dekken van de Ark, waarschijnlijk het middendek. Of de laag is de platte bodem van een stuk vast gesteente in de vorm van een boot, waarvan de afmetingen toevallig gelijk zijn aan die van de Ark zoals ze in Genesis worden gegeven.

Vraagtekens bij de vondsten.

Ondanks de veelbelovende resultaten wezen sceptici erop dat zelfs als de overblijfselen die van een boot waren, dat nog niet betekende dat ze van de Ark van Noach waren. Charles Berlitz wijst er in zijn boek Het verloren schip van Noach dan ook op dat

“de plaatselijke bevolking het bouwsel wel kent, maar niet denkt dat het het schip van Noach is… maar het schip van Malik Shah, een heerser uit de oudheid die een enorm schip gebruikte op het meer dat vroeger een groot gebied rond Ararat bedekte.”

Meer verfijnde proeven die Baumgardner in 1988 deed, waarbij hij ook boringen verrichte tot in het hart van het gesteente, leverden geen steun op voor de oorspronkelijke bevindingen van Wyatt en Fasold. Geen van de boorgaten leverde ook maar een sprankje bewijs op dat de vindplaats de Ark van Noach herbergde.

Door professor Lorence Collins, hoofd van de afdeling geologie van de Universiteit van Californië werd ook onderzoek gedaan in de buurt van de “anker-stenen” die in de buurt van de Durupinar- vindplaats waren aangetroffen. Een chemische analyse toonde aan det het vulkaangesteente betrof. Het is tekenend dat dit gesteente veel voorkomt in de buurt van de Durupinar- vindplaats, maar vrijwel afwezig is in Mesopotamië (het huidige Irak), waar Noach de Ark zou hebben gebouwd.

Nog meer bewijs dat de ankerstenen niet gebruikt konden zijn voor de Ark, kwam van dr. Abraham Terian, die gespecialiseerd is in de geschiedenis van het oude Armenië. Terian merkte op dat de stenen in het gebied veel voorkomen en plaatselijk bekend staan als khatchcars. Men denkt dater inscripties van rituele symbolen op aangebracht zijn in verband met heidense godenverering.

De Groene Amsterdammer vatte het als volgt samen : “Vijfduizend jaar na dato is het nog altijd zoeken naar de ark van Noach, het bewijs voor een van de gruwelijkste misdrijven die God in zijn lange carrière als despoot heeft begaan. De boot moet op de berg Ararat liggen.”

De berg Ararat is gelegen in het uiterste noordoosten van Turkije, op de grens met Armenië en Iran- eigenlijk is hier sprake van twee bergen, waarvan de Agri Dagh, de Pijnberg, de grootste is. Deze verheft zich majestueus uit het vrij vlakke landschap, waar behalve wegversperringen van het Turkse leger nauwelijks sporen van bewoning zijn. De enige bewoners van de uitlopers van de berg zijn de Pamirs, een destijds door de Russen uit Afghanistan verdreven stam, die zich na jarenlange omzwervingen door Pakistan en Turkije aan de voet van de Ararat vestigden in een verlaten kazerne, die sindsdien Pamirköy (dorp van de Pamirs) wordt genoemd. De mannen dragen bijna zonder uitzondering camouflagepakken die door het Turkse leger zijn achtergelaten toen ze het complex verlieten. Iets verderop begint de helling van de eenzaam boven het land- schap uittorenende Ararat, tussen wier onherbergzame toppen zich volgens de overlevering nog altijd de Ark van Noach bevindt, bedekt door duizenden jaren van modder, sneeuw en ijs.

De Groene noemt het “de grootste misdaad die God de mensheid ooit heeft aangedaan”. Zo kunnen wij als nietige mensen oordelen, zonder alle aspecten te kennen.Feit is dat de menselijke hoogmoed hoogtij vierde, en dat door het lange leven van de mensen niet alleen de kennis erg ontwikkeld was, maar ook de negatieve kwaliteiten. In het raam van het bewijs van Gods rechtvaardigheid en de noodzaak van een bewijs van de gevolgen van de keuze voor de afval, moest God ingrijpen. De Zondvloed werd een mijlpaal in de menselijke geschiedenis, toen de Heer der Schepping uit afschuw over liederlijke uitspattingen van de nakomelingen van Adam en Eva besloot dat het tijd was om «al het vlees» en «alles in wier neus de adem van leven is» uit te roeien. «Ik ga de mens die Ik geschapen heb van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Me dat ik ze gemaakt heb», zo sprak God volgens Genesis. De mensheid had het in Gods ogen erg bont gemaakt. Men schroomde er niet voor om zich over te geven aan seksuele genoegens zonder eeuwige trouw te hebben beloofd. Mannen deden het met mannen, vrouwen met vrouwen. Zelfs de dieren werden niet met rust gelaten bij de bevrediging van verboden lusten.

De straf was de verdrinkingsdood, met uitzondering van Noach, een «rechtschapen» man, die «met God wandelde» en dan ook «genade vond in de ogen van de Almachtige».

Het verhaal van Noach staat niet op zich en komt voor in verschillende tradities van tal van volkeren. Het betreft altijd een grote, alles vernietigende overstroming waaraan slechts een paar stervelingen ontsnappen. Lange tijd zijn slechts afzonderlijke vloed- verhalen bekend geweest uit de hoogstaande culturen van het Nabije Oosten, met de XIde tafel van het Gilgamesj-epos als bekendste. De Zondvloed maakt deel uit van de Phoenicische mythologie. Er is een medaille uit Apamea in Phrygia, geslagen in de tijd van Septimius Severus, waarmee deze Phrygische zondvloed wordt herdacht. Deze medaille laat de ark op het water zien, met in de opening een man en een vrouw. Op de top van de ark zit een vogel. Een andere vogel vliegt rond met een takje tussen zijn poten. Voor de ark dezelfde twee vogels op het eerste droge land. Er is een grote hoeveelheid vloed-tradities uit de oudste culturen ontdekt die in hoofdtrekken met elkaar overeenstemmen: de vernietiging van de mensheid en redding van de enkeling.

In de Bijbel horen we voor het eerst over Noach als hij al vijfhonderd jaar oud is. Hij was de zoon van Lamech en kleinkind van Methusalem. Noachs opa zou van 2948 tot 1998 voor het begin van de Gregoriaanse jaartelling hebben geleefd en de gezegende leeftijd van 950 jaar hebben bereikt. Genesis 6:7 vertelt dat Noach drie getrouwde zonen had, Sem, Cham en Jafeth.

God geeft Noach precieze aanwijzingen om een enorme «kist van gopher» te bouwen. Hetzelfde cipressenhout gebruikten de Phoeniciërs om hun schepen te bouwen. De afmetingen en het bouwmateriaal zijn op de centimeter nauwkeurig in de bijbel bewaard gebleven. Voor die dagen moet de «kist» op de bevolking de indruk hebben gemaakt van een enorme cruiser, want Noachs boot telde niet minder dan drie verdiepingen, ingedeeld in kamers. De ark had bovendien een dak en een deur en was van buiten en binnen geteerd. De bouw moet zo’n honderd jaar geduurd hebben, want Noach is volgens de bijbel al zeshonderd jaar oud als de ark klaar is en de levende have aan boord wordt gebracht.

De beesten waren reeds ingedeeld in «rein» en «onrein». De intocht lijkt op een processie. Voorafgaand aan de familie Noach betreden «telkens zeven» reine en «telkens twee» onreine dieren het mammoetschip. Zeven dagen wachtten Noach, zijn vrouw en hun drie zonen met hun echtgenotes «en toen zwollen de wateren» in een hevigheid die nooit eerder was vertoond. Na 190 dagen «herinnert God zich Noach» en laat winden over de aarde waaien, waardoor de wateren werden weggeblazen en de ark op de zeventiende dag van de zevende maand landde op de «berg Ararat». Dat zou ongeveer 4300 jaar geleden hebben plaatsgevonden.

Gedachten mij te machtig

HtacintenDe onbewuste stof zou hebben voorzien dat het bestaan van een wereld die haar beeld niet kon werpen in het menselijk bewustzijn, aan de zwartste nacht gelijk zou zijn geweest, en daarom de bewuste menselijke persoonlijkheid hebben geschapen?

Zelfs de allerkleinste natuurschatten brengen ons in vervoering. Welke Kunstenaar heeft de duizenden facetten geslepen in het oog van een mot? Met de hoogste nauwkeurigheid de structuur van de insecten geordend? De vleugel van een vlinder zo kunstig bestrooid met mooie kleurstof? De verscheidenheid van sneeuwsterren in de sneeuwvlok gevormd?

De miljoenen kegeltjes- en staafjescellen waaruit het mensenoog is samengesteld en die de mens ziende maken, de talloze hersencellen waar intelligentie in huist, geheugen, geesteskracht, – Wie is de Bouwmeester die ze formeerde en ineen werkte tot instrumenten van de hoogste nauwkeurigheid?

Toeval? Wet der noodzakelijkheid?

“Een huis kan zichzelf niet bouwen,” is afdoende logica.

Alleen de Spiritus Creator geeft de oplossing van het grote vraagstuk.

“Ons heelal,” zegt Sir James Jeans, kan het best beschreven worden als een bouwwerk van zuiver denken. De wereldverschijnselen gehoorzamen aan wiskundige wetten die ver uitgaan boven onze wereld van tijd en ruimte.

Hoe dieper wij doordringen in de verborgenheden van de schepping, hoe duidelijker wij een plan onderscheiden. Uit de tastbare vorm voelen wij de warme levensgloed aan van het Wezenlijke. Achter de kosmos schemert de ontzaglijke Aanwezigheid.

Wij zien niet alleen vormen, wij zien beweging, harmonie, kronkeltoveringen in prachtige slingerlijnen, onvervalste schoonheid, leven, stofwording van eeuwige ideeën. Wij horen het enige woord waarop wij wachten: God! Wij zien het denken Gods.

De zichtbare dingen zijn door de vloek geschonden documenten der opperste Rede. De duizenden zwaarden, gescherpt in een zwart offensief, kunnen deze niet vernietigen.

In een van zijn essays zegt Lord Bacon:

Ik zou gemakkelijker in alle fabelen geloven, in alle legenden, dan in dit universeel samenstel zonder een Geest. – The Origin of the Earth, p. 235, Prof. Dr. W.M. Smart, Glasgow

Daarom spruiten voor uw voeten blommen in de lentetijd, 

opdat gij de Heer zoudt groeten, komend over ‘t blomtapijt.

Guido Gezelle

De zon doorgloeit het eerste morgenblauw. De nacht is gevloden. Het landschap, als uit goud en glans geweven, wordt doorpurperd. Welk een prachtig spel van licht en wolken. Het Al-grote spreekt zo machtig. Bergtoppen blozen, cederen wuiven, bloemen geuren, dauwdruppels fonkelen.

Symfonie van licht en kleur! Een blinde mechanica bespeelt de toetsen? Wie tovert met zulke beeldenrijkdom en onuitputtelijk coloriet? Overal golft overvloed, onuitputtelijkheid.

Alleen liefde kon de Koninklijke lijnen trekken der menselijke gestalte, alleen liefde maakt meesterwerken, niet de blinde kracht der atomen.

Zou Hij die de vlam van de geest heeft aangestoken in de sterveling, minder zijn dan wat Hij heeft voortgebracht? 

Zou Hij die het oor plantte, niet horen?

Die het oog vormde, niet zien? (Psalm 94:9)

Arme menselijke logica, die de logica van het geschapene stuk wil slaan!

In de natuur worden wij aangesproken door het eeuwig Woord. Haar schoonheid is zijn fluisterstem van ziel tot ziel. “God is liefde,” zo geuren de bloemknoppen. 

“God is liefde!” zo lezen wij in grote letters op het wijd uitdeinend vergezicht, op de schaduwbeelden der wolken. “God is liefde!” zo klinkt het in het kristallijnen vogelkwintet, in het ruisen der bomen, in de golven van de zee. “God is liefde” zo straalt het uit grote kinderogen waarin God u aankijkt.

Ieder afzonderlijk schepsel, in zijn concrete natuur, tracht op alle mogelijke manier van God te spreken. Maar zo velen staan voor het ranke riet als de os in de weide. Alleen deze die willen zien, voelen dat er iets innig dieps in hen doordringt, ervaren een Aanwezigheid.

0 ‘k sta mij zo geren te midden in ‘t veld,

En schouwe in de diepte des hemels …

Guido Gezelle

De nacht die alles uitvaagt, de diepstille nacht met het zilver maanlicht – blijde morgen voor de nachtegalen – dwingt ons tot stilte. Hebben wij wel eens met wijdgeopende ziel in de grondeloze diepte van het heelal gezien, waar de tijd wegzinkt, waar het goddelijk Alvermogen zijn meetsnoer uitstrekt en de eeuwigheid ons aankijkt?

Deinend op de golven der oneindigheid voelen wij ons zover af van alle theatraal gedoe, van alle tempels van menselijk wee. Ons tobbend verstand zinkt weg in het machtig wonder!

Wie slingerde de talloze hemellichamen de ruimte in en gaf elk zijn eigen kringloop?

Ondanks de ontzaglijke werking der aantrekkingskracht bij het naderen en zich verwijderen van andere planeten, bewegen zich de raderen van deze superuurwerken in een harmonie van de hoogste orde, –

“et cette grande horloge n’aurait point d’horlogier?”

(en dit grote uurwerk zou geen uurwerkmaker hebben?)

Voltaire

Hoe treffend beschrijft de Bijbel de Schepper als degene die 

“alle dingen ophoudt door het woord zijner kracht. Hebreeën 1:3

Onze planeet weegt 6.600.000.000.000.000.000.000 ton en beschrijft geruisloos stil haar cirkelbaan alsof God haar vasthoudt aan het niet.

Job 26:7

De titanische krachten in het kosmische wentelen, zijn door geen denkbeeld te achterhalen. Reuzenplaneten in miljoenengetal cirkelen over de banen der oneindigheid, berekend in lichteeuwen! Roept die aanblik niet om een herdruk van de Psalmen met sommige verzen in hoofdletters?

DE HEMELEN VERTELLEN GODS EER, EN HET UITSPANSEL VERKONDIGT HET WERK ZIJNER HANDEN…

Psalm 19:1-2 

Hoewel wij slechts in een wazige spiegel zien (1Korintiërs 13:12) voelen wij ten volle het heilige aan. Hier rust dat onuitsprekelijk woord, dat de grootste aller werkelijkheden vertolkt: – GOD -, de hoogste reden van onze bestemming.

Hij die de leliën vormt op het veld is dezelfde die de miljarden planeten in de ruimte wierp. Hoe machtig klinkt hier het eeuwig Halleluja!

Ik weet, mijn redenering berust op een verouderde stelling, het is geen gangbare munt in onze technische eeuw, het is een stelling van de ouderwetse Bijbel:

Want wat van Hem niet gezien kan worden, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, wordt sinds de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien.

Romeinen 1:20

In zes dagen

in zes dagen

De zesdaagse schepping getuigt van een groot ontwerp. 

Alles is harmonisch. Het leven, zoals wij het kennen, is geheel afhankelijk van andere levensvormen. Niets leeft of sterft voor zichzelf. Ieder levend wezen, of het nu een plant of een dier is, verschaft, wanneer het sterft, verder levensonderhoud aan andere levende wezens. De oude omgevallen boom verschaft voedsel aan het jonge boompje. 

Ook Christus moest eerst sterven om nieuw leven voor ons mogelijk te maken. 

De diertjes die zorgen voor een vruchtbare humuslaag waaruit de bomen en planten hun voedsel halen, zijn twee dagen na de bomen en planten geschapen in de scheppingsweek. Zouden de bomen en planten al niet allang zijn afgestorven als één scheppingsdag een miljoen jaar zou duren? 

De vruchtbomen hebben bestuiving nodig, anders sterven ze uit. Kunnen ze twee miljoen jaren wachten tot op een andere scheppingsdag de bij is gemaakt die dan voor die noodzakelijk bestuiving langs kan komen? 

‘Ontwikkelden’ bloemen, grassen, bomen en graansoorten zich allemaal langzaam en geleidelijk over een periode van miljoenen of miljarden jaren, onafhankelijk van de kleine bij of vogels, waarop zij aangewezen zijn voor de voortzetting van hun bestaan? 

De ene levensvorm heeft de andere nodig. Er kan dus niet te veel tijd verstrijken tussen de schepping van het ene leven op de ene dag en het andere leven op de andere dag.  Mede daarom duurde de schepping slechts zes normale dagen en geen zes periodes van bijvoorbeeld elk 10.000 jaar. 

Er is veel – wetenschappelijk – feitenmateriaal dat de evolutieleer op losse schroeven zet. Nochtans wordt evolutie als wetenschappelijk onderwezen en wordt schepping vaak weggelachen. Zoals al eerder in deze brief is vermeld, is het van belang dat wij de schepping ernstig nemen. Enkel zo krijgen wij kijk op de Schepper en hoop op de herschepping. 

Waarom de Schepping in ZES GEWONE DAGEN? 

Als we onze bijbel openslaan dan kunnen we in Genesis het verslag lezen van de scheppingsweek. Dat God het licht maakte, verder het uitspansel – wat God hemel noemt – en toen de zeeën, meren en rivieren, zodat een droge aarde tevoorschijn kwam, waarop Hij jong groen, gewas en vruchtbomen liet groeien. En dat Hij zei dat de zon, de maan en de sterren aan het uitspansel zullen staan. Hij vervolgens de dieren die in het water leven schiep en de vogels. Daarna de dieren op het land. En tenslotte onze voorouders Adam en Eva. Dit alles deed God in zes dagen. 

Waren het gewone dagen van 24 uur per etmaal? 

Er is een opvatting in veel kerken die in de loop der jaren de voorkeur heeft gekregen dat deze dagen duizenden, miljoenen of zelfs miljarden jaren duurden. Doet het er werkelijk iets toe hoe lang deze dagen waren? Is het mogelijk vast te stellen of het gewone dagen waren of tijdsperioden? 

Nogmaals de vraag: doet het er iets toe? Maakt het iets uit? 

Waarom ‘Lange Dagen’? 

Waarom scheppingsdagen van 10 miljoen jaren elk? De belangrijkste reden waarom velen proberen de Genesisdagen te veranderen in lange perioden, is om een manier te vinden het scheppingsverslag in harmonie te brengen met de gedachte dat er een opeenvolging van vele geologische eeuwen geweest moeten zijn. Het is begrijpelijk dat de wetenschap een verklaring zoekt voor de sporen die volgens haar onderzoeksmethoden tienduizenden, honderdduizenden of miljoenen jaren oud zijn. 

“Hoe nutteloos moesten alle pogingen zijn en blijven, om ons bijbelse scheppingsverhaal in overeenstemming te brengen met de resultaten van de natuurwetenschap,” schreef in 1902 de Duitse geleerde professor Delitzsch in zijn werk ‘Babel und Bibel’. 

Reeds in 1654 verklaarde Ussher, een aartsbisschop van Ierland, dat de schepping plaats gevonden had om negen uur ’s morgens, op 26 oktober van het jaar 4004 voor Christus, zoals de nauwkeurige bestudering van de heilige Schrift had uitgewezen. 

Kijk aan, dat hebt u misschien ook altijd gedacht: om negen uur ’s morgens, op 26 oktober van het jaar 4004 voor Christus. 

Meer dan een eeuw gold deze consciëntieus berekende datum als een vaststaand feit. Wie een vroeger tijdstip vermoedde, was een ketter. 

Sommige wetenschappers beweren dat de zondvloed alle sporen van vóór de zondvloed uitgewist heeft. Iemand die beweert dat hij sporen van leven heeft gevonden van de tijd vóór de vloed, bijvoorbeeld van 10 miljoen jaren geleden, ontkent dat er een vloed geweest is. Aldus deze theorie. 

Schijnbare leeftijd 

In de context van het vaststellen van de ouderdom, de leeftijd, moeten we rekening houden met het bestaan van een schijnbare leeftijd .

Een uur na zijn schepping scheen Adam een man van 25. Misschien wat jonger, misschien wat ouder. Maar laten we zeggen 25 jaar. Dat was schijn, want hij was nog maar een uur jong. Hij was zo gemaakt dat zijn haar, zijn huid, zijn organen 25 jaar leken. 

En de aarde? Was misschien ook zo gemaakt dat het direct al een oude aarde leek. Zou een zogenaamde embryo-aarde geschikt geweest zijn om te bewonen, te bewerken, om er delfstoffen uit te halen? Is de aarde ook niet direct geschapen als een volwassen aarde? 

We weten dat God geen menselijk embryo maakte. Zo schiep Hij ook volwassen herten, olifanten en bomen en planten. Eerst de kip en de kip produceerde het ei. Echt waar. Zij had zelfs geen keus, zij deed zoals ze was gemaakt. 

Stel dat God weer een mens heeft geschapen zoals Adam. Wetenschappers uit de hele wereld zijn uitgenodigd om dit wonder een dag na zijn schepping te bekijken. Sommigen komen aanzetten met geavanceerde microscopen, omdat een mens van een dag slechts een minuscuul embryo is. Andere wetenschappers hadden voor alle zekerheid een paar verzen in Genesis gelezen en begrepen dat hij uit klei gemaakt was. Dus nemen ze monsters van de Limburgse löss mee en ook West-Friese en Groningse klei. Om te weten welke kleur kleimonsters hij mee zou moeten nemen, had iemand zelfs vooraf gebeld of het ging om een gele Chinees, een zwarte Ethiopiër of een Nederlandse bleke. 

Wanneer dan de wetenschappers met de nieuwe Adam worden geconfronteerd, voelen ze zich genomen. Dit kon niet. Een menselijk wezen van één dag is microscopisch klein en geen volwassen kerel. En de kleimonsters vertoonden ook al geen enkele overeenkomst met de nieuwe Adam. Uitgebreide onderzoeken, zoals met de scan en weefselonderzoek van hart, nieren en longen, wijzen uit dat deze nieuwe Adam van één dag in werkelijkheid rond de 25 jaar moest zijn. 

Adam en Eva waren direct volwassen mensen, fysiek gereed om een gezin te stichten. Dit scheppingswonder staat buiten de menselijke technologie. 

Hoe oud leek de aarde één dag na haar schepping? 

Als de wetenschap direct na de schepping van de aarde de ouderdom van aardlagen met daarin de delfstoffen, die de mens gebruikt, gemeten zou kunnen hebben, wat zou dan het resultaat geweest zijn? Was het radioactief verval slechts twee uren oud? Of leek dat dit proces al twee miljoen jaren geleden begonnen was? Of misschien twee miljard jaren? Wat was de schijnbare leeftijd van de aarde direct na haar schepping? 

Er zijn veel theorieën. In de meeste hiervan is een schepping in zes dagen een lachertje, vooral als de evolutietheorie erbij gehaald wordt. 

Hoe betrouwbaar zijn de methodes 

om de ouderdom te bepalen? 

Bij radioactieve metingen wordt aangenomen dat de intensiteit van de kosmische straling door de eeuwen heen constant is. Sommigen veronderstellen dat er vóór de zondvloed een grotere concentratie van damp rond de aarde was. De Bijbel spreekt over de dauw. De concentratie koolstofdioxide in de atmosfeer is nu 50% groter dan voor de industriële revolutie. U weet waarschijnlijk niet wat het effect hiervan op de kosmische straling is, maar de geleerden ook niet. 

Anderen beweren dat tengevolge van de kolossale druk van de watermassa van de vloed op de aardlagen, de metingen van materiaal van vóór de vloed onbetrouwbaar zijn. Houdt de wetenschap rekening met het kolossale effect van de vloed? Als ze deze al willen erkennen. 

In de geologie wordt bij radioactieve ouderdomsmetingen na het verval van radioactief  materiaal in gesteenten het aantal heliumkernen geteld. Aangenomen wordt dat helium niet uit het gesteente kan ontsnappen. Dit wordt aangenomen. In ‘Grondslagen der algemene geologie’ van Dr. B.G. Escher worden situaties beschreven waarin helium wel degelijk uit gesteente is ontsnapt en hoe dit nog steeds plaatsvindt. Bovendien, kon het gesteente de plotseling opkomende druk van de vloed weerstaan? Als dat niet het geval is, dan kunnen metingen er duizenden, zo niet miljoenen jaren naast zitten. 

Ach, denkt misschien iemand, dit is praat van leken. Laten we dan eens naar praat van professionals luisteren. 

Eerst nog de vraag: hoe betrouwbaar zijn de methodes om de ouderdom te bepalen? Methodes waar tot voor kort niet aan getwijfeld mocht worden, worden nu belachelijk gemaakt als we de jongste technieken daarop loslaten. 

Hier volgen een paar voorbeelden die gepubliceerd zijn in de tijdschriften ‘Radiocarbon’ en ‘Science’ .

·  Van steenkool uit Rusland was de veronderstelde ouderdom 300 miljoen jaren oud en werd nu gedateerd op 1.680 jaar. 

·  Aardgas in Alabama en Mississippi zou 50 miljoen en 135 miljoen jaren oud zijn, maar de Carbon-14-methode gaf leeftijden van respectievelijk 30.000 en 34.000 jaar. 

· Beenderen van een sabeltijger, gevonden in de teerputten van LaBrea zouden 100.000-één miljoen jaren oud zijn. Volgens de nieuwe metingen 28.000 jaar. 

Maar deze nieuwe Carbon-14-techniek is ook niet zo feilloos. Lees de volgende voorbeelden maar eens. 

· Een net afgemaakte zeehond werd door de Carbon-14-methode gemeten en zou 1.300 jaar geleden gestorven zijn. 

· De ouderdom van levende schelpdieren werd bepaald op 2.300 jaar. 

·  Levende slakken zouden volgens dezelfde ouderdomsberekening 7.000 jaar geleden al gestorven moeten zijn. 

De onderzoekers haastten zich om uit te leggen dat achteraf de onregelmatigheden gemakkelijk te verklaren zijn. Bijvoorbeeld, Carbon-14 activiteit in opgeloste toestand carboniseert in water, enz., enz. Maar hoe kunnen we zulke effecten uitsluiten als we de omstandigheden niet kennen? Want dat is toch meestal het geval. Vooral water kan invloed hebben op metingen. Tijdens de vloed waren de bovenste aardlagen doordrenkt met water. Langer dan een jaar. 

Als er nog zoveel kritiek is bij de geleerden zelf over ouderdomsmetingen, mogen er twijfels zijn over de betrouwbaarheid van archeologische sporen van mensen die bijvoorbeeld 50.000 jaren oud zouden moeten zijn. 

Genesis 1:26  En God zei: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 

Om een verklaring te zoeken voor veronderstelde sporen van menselijk leven vóór Adam, gaan veel mensen speculeren: “Zou God daarvóór mensen gemaakt hebben die niet naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen waren?” Zou dat kunnen? 

27  En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. 

Dit speculeren biedt geen soelaas, want hier staat: de mens. Vers 27 spreekt niet over twee soorten mensen – de één wel en de ander niet naar zijn beeld geschapen – nee, God heeft het over de mens. En die is gemaakt naar Zijn beeld en gelijkenis en Adam was de eerste. Hij schiep de dieren naar hun aard en de mens naar Gods aard. 

1 Korinthiërs 15:45  Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; … 

Ook Paulus bevestigt dat er vóór Adam geen mensen geweest zijn. De eerste mens was Adam staat hier. 

De vragen: “Waren of zijn er mensen die tijdelijk op de aarde leefden of misschien nog leven en net als dieren niet in Gods Plan van Behoud zijn opgenomen? Bestaan er oeroude fossielafdrukken van mensen die niet naar Gods beeld zijn geschapen?” zijn geen zinvolle vragen. 

Genesis 9:6  Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt .

Het is duidelijk, de mens is naar Gods beeld geschapen. Hierin zijn geen soorten.  Is Eva wel naar Gods beeld geschapen? Wat zegt de Bijbel? 

Genesis 1:27  En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. 

En als er nog twijfel mocht bestaan over mogelijk andere menselijke wezens die geleefd zouden hebben. 

Genesis 3:20  En de mens noemde zijn vrouw Eva, omdat zij de moeder van alle levenden is geworden. 

Alle levenden. Er hebben dus nooit menselijke wezens bestaan die niet uit Eva zijn voortgekomen. En we hebben gezien dat Eva een menselijk wezen was, geschapen naar Gods beeld, naar Gods gelijkenis. En zij leefde slechts een zes duizend jaar geleden. 

Tegen alle verwachtingen in?

Tim Hawthorne – Professor Emeritus Biochemie aan de Universiteit van Nottingham, U.K.

oorsprong van het leven

oorsprong levenGod en de oorsprong van het leven  / Tim Hawthorne.

Sommige mensen zijn misschien bang om toe te geven dat er een Schepper God bestaat, omdat ze niet naïef of onwetend willen overkomen. Die verhalen in de bijbel, zeggen ze, zijn misschien wel goed voor kinderen en eenvoudige mensen in primitieve samenlevingen, maar geschoolde mensen weten toch wel beter, of niet soms?

Als geleerde wetenschappers – die hun leven lang al deze zaken bestudeerden – het idee van een schepper afdoen als een fabeltje, dan weten ze toch zeker wel waar ze het over hebben? Mensen die niet onwetend willen lijken zouden hen toch moeten geloven, of niet soms?

Nee, dat moeten ze niet! Ik ben een wetenschapper en ik bestudeer mijn hele leven al een deel van de schepping. Niets wat ik te weten ben gekomen, heeft mij doen betwijfelen dat er een schepper van ons heelal is die zorgt voor die schepping en voor ons. Inderdaad, hoe meer ik te weten kom, hoe meer reden ik heb om dit te geloven.

Ik wil graag mijn standpunt onderbouwen. Ik zal proberen u niet te overdonderen met feiten, maar, zoals Albert Einstein eens opmerkte, we moeten dingen zo eenvoudig mogelijk maken, maar niet eenvoudiger dan ze zijn.

Weet u, zelfs de ‘eenvoudigste’ levensvormen zijn eigenlijk niet zo eenvoudig.

Een niet zo eenvoudige cel.

Wat wij zien als een eenvoudige bacteriële cel is in werkelijkheid een ingewikkelde samenstelling van vele complexe chemische stoffen.

Bijvoorbeeld, een gemiddelde bacterie heeft ongeveer 2000 enzymeiwitten, elk gebouwd als een kralenketting, waarbij de kralen aminozuren zijn. Elk eiwit kent zijn specifieke volgorde van honderden aminozuren, waarvan er uit 20 kan worden gekozen en dat voor elke kraal van de keten. Twee astronomen, Sir Fred Hoyle en N.C. Wickramasinghe, maakten een schatting van de kans op het verkrijgen van een simpele bacteriële cel door willekeurig te kiezen uit de 20 aminozuren waar eiwitten uit zijn opgebouwd. De kans om op deze manier per toeval een bacteriële cel te creëren, is één op 1040.000 – dat is een 10 gevolgd door 39.999 nullen – best een groot getal! Astronomen zijn gewend aan zulke getallen, maar dit betekend dat het zo goed als onmogelijk is. Dat het ongeveer net zo waarschijnlijk, in de beroemde woorden van Hoyle, is als wanneer een wervelwind die door een schroothoop raast, een Boeing 747 samenstelt.

En we hebben het slechts over één kleine bacterie. 

Richard Dawkins beschrijft dit onmogelijk proces in zijn boek ‘The Selfish Gene’: Op een bepaald moment werd per ongeluk een nogal merkwaardig molecuul gevormd. We noemen het maar de ‘Reproduceerder’. Het was niet meteen het grootste of meest complexe molecuul die er was, maar hij bezat de ongelofelijke eigenschap dat hij zichzelf kon reproduceren.

Het lijkt misschien zeer onwaarschijnlijk dat dit per ongeluk zou gebeuren. Dat was het ook. Het was uitermate onwaarschijnlijk, maar bij onze menselijke schattingen van wat wel of niet mogelijk is, zijn we niet gewend om om te gaan met honderden miljoenen jaren.

In zijn voorwoord probeert Dawkins het prestige van zijn sprookje te verhogen door het wetenschappelijk te noemen. Maar het lijkt geenszins, op wat we tegenwoordig weten van het proces waarop Reproduceerder (DNA) in levende cellen wordt gekopieerd. Het kopiëren vereist tientallen complexe enzymeiwitten en nog eens tientallen om de chemische energie voor het proces te leveren. Als u gelooft dat de Reproduceerder dit alles in zijn eentje kan, dan gelooft u alles!

Een moeilijke evenwichtsoefening.

Realiseert u zich wel hoe precies de omstandigheden die het leven mogelijk maken, eigenlijk in evenwicht zijn? Ons fysisch universum hangt af van vier basiskrachten, of constanten. Deze zijn de elektromagnetische kracht, de sterke kernkracht, de zwake kernkracht en de zwaartekracht.

Leven zoals wij dat kennen, zou niet kunnen bestaan zonder water, dat, zoals u ongetwijfeld weet, een samenstelling is van waterstof en zuurstof. De waterstof in water zou niet bestaan als twee van de natuurconstanten niet precies in evenwicht waren. Als de zwakke kernkracht in de atomen en de zwaartekracht niet precies correct zouden zijn, dan zou alle waterstof in het heelal binnen enkele seconden na de oerknal, die door kosmologen wordt gezien als het begin van alles, omgevormd zijn tot helium.

Koolstof is evenzo noodzakelijk voor het leven en is één van de stappen in het opbouwproces van alle elementen in sterren. Als de sterke kernkracht die atoomkernen bindt en de elektromagnetische kracht tussen geladen deeltjes die atomen bijeen houdt, niet nauwkeurig in evenwicht zouden zijn, dan zou alle koolstof zijn omgezet in zuurstof en zwaardere elementen. De wetenschap kan niet verklaren waarom de natuurconstanten deze specifieke waarden aannemen, maar we weten dat, als het niet zo zou zijn, het heelal nooit leven zou hebben voortgebracht en dat wij er niet zouden zijn om het te bespreken.

Dit nauwkeurig instellen van het heelal wordt het ‘antropisch (mens) principe’ genoemd – het idee dat de kosmos is bedoeld om als habitat voor mensen te dienen. Wijst dit ‘afstemmen’ op een schepper die ons vanaf het allereerste begin in gedachten had?

Dit idee moet toch zeker niet achteloos van de hand worden gedaan als een fabeltje, wanneer zoveel bewijzen de redelijkheid ervan aantonen. Sommige filosofen die dit idee hebben verworven, stellen als alternatief voor dat er miljoenen verschillende heelals bestaan die elk verschillende eigenschapppen hebben, zodat het volstrekt per toeval mogelijk is, dat er één tussen zit met de juiste omstandigheden om leven mogelijk te maken. Dit is een redelijk vergezochte gedachte en er zijn weinig bewijzen om het te ondersteunen. Het is tevens een zeer ingewikkelde verklaring en er is in de wetenschap een beginsel dat zegt dat de makkelijkste verklaring die bij de feiten past, hoogstwaarschijnlijk de correcte is.

Er is niets eenvoudigs aan een grote hoeveelheid heelals!

Het begin.

Men gaat ervan uit dat de aarde 4.500 miljoen jaar oud is en er is fossielbewijs voor het bestaan van leven in sedimentgesteente tot zo’n 3.800 miljoen jaar geleden. De eerst levende organismen lijken bacteriën en algen te zijn geweest.

Hoe zijn zij ontstaan?

Ongeveer 70 jaar geleden wezen Oparine in Rusland en Haldane in Engeland erop dat een ‘primitieve soep’ van chemische stoffen zich als eerste vormde op aarde in een zuurstofvrije (reducerende) atmosfeer. Zuurstof zou veel van die chemische stoffen hebben vernietigd. Deze reducerende atmosfeer zou zijn opgebouwd uit waterstof, waterdamp, methaan en ammonia. Wanneer dit krachtige mengsel werd bloodgesteld aan bliksem en ultraviolet licht zouden enkele simpelere chemische stoffen van het leven, zoals aminozuren, ontstaan. 

Anderen wijzen er echter op dat de geologische bewijslast bestrijdt dat zo’n atmosfeer lang genoeg kon hebben bestaan voor de vorming van een primitieve soep. Sterker nog, het precambrische gesteente dat het fossielbewijs voor de vroegste levende cellen bevat, bevat niet de verwachte organische stoffen uit de soep.

Nou, dat ‘kleine probleem’ zal degenen die vastberaden zijn het mogelijk bestaan van een schepper uit te sluiten, niet tegenhouden. Als de chemische stoffen van het leven niet op die wijze gevormd werden, werden ze misschien wel gebracht door meteorieten, waarvan sommige zeker zulke chemische stoffen bevatten. Men schat dat zware bombardering van het aardoppervlak door meteorieten zo’n 3.800 tot 4.000 miljoen jaar geleden heeft plaatsgevonden. Astronomen maken ook melding van kleine koolstofbevattende moleculen zoals formaldehyde en methylamine, in de interstellaire ruimte.

Natuurkundige Paul Davies, auteur van het boek ‘The Fifth Miracle’ (over de oorsprong van het leven), heeft ook zijn twijfels over de primitieve soep. Hij beweert dat het leven diep onder de zee in hete vulkaankraters is ontstaan. Zijn scenario is net zo waarschijnlijk als ale andere. 

Maar hoe waarschijnlijk zijn ze?

Stuart Kauffman kan het idee dat leven voortgekomen is uit het niet-levende door stuk voor stuk bij elkaar gebracht te worden door evolutie, niet aannemen. Zijn theorie is dat wanneer het aantal moleculen in de primitieve soep een bepaalde drempel overschrijdt, er plotseling een autokatalyserend metabolisme (een reeks van chemische omzettingen die elkaar in stand houden) zal ontstaan. Voor hem lijkt het optreden van leven haast onvermijdelijk. Kauffman schrijft overtuigend, maar geeft toe dat er tamelijk weinig harde bewijzen zijn.

Alle hoop opgegeven.

Omdat zij ontsteld waren over de kans op het door toeval ontstaan van leven op aarde, bliezen Hoyle en Wickramasinghe een oude theorie dat het leven uit de ruimte kwam, weer nieuw leven in. Bacteriën en virussen, zo beweerde zij, bereikten de aarde en bereiken de aarde nog steeds in de staarten van kometen. Kosmische krachten, zo concluderen zij, zijn niet alleen verantwoordelijk voor de oorsprong van het leven, maar ook voor sommige aspecten van haar evolutie.

Biologen zijn niet onder de indruk.

Het dubbelhelix model voor DNA van Watson en Crick legde de basis voor moderne, biochemische genetica. Crick heeft genoeg verstand van DNA om te weten dat het maken van de eerste levende cel nagenoeg onmogelijk moet zijn geweest. Hij is daarom van mening dat het leven opzettelijk naar de aarde is overgebracht door hoogontwikkelde beschavingen elder in het heelal.

Er zijn geen harde bewijzen voor dit alles en natuurlijk wordt door het verplaatsen van het probleem van de oorsprong van het naar de ruimte of de diepste oceanen, geen antwoord verkregen op de ultieme vraag hoe het in eerste instantie allemaal begonnen is.

Charles Darwin zat er misschien wel dichterbij toen hij het hele vraagstuk omzeilde. In zijn boek ‘The Orgin Of Species’ schreef hij dat ‘er leven, met de verscheidene krachten van het leven, oorspronkelijk in enkele vormen werd ingeblazen of in één …’

Door wioe er werd geblazen, zegt hij niet.

Ontwerp.

Wij hoeven de vraag niet te omzeilen. Eens komen we er misschien achter hoe het leven is ontstaan, hoe onwaarschijnlijk dat op dit moment ook lijkt. Wij hoeven de oorsprong van het leven niet te zien als het resultaat van een rechtstreekse tussenkomst van God. Misschien kwam het door een natuurlijk proces – maar zoiets kon niet zomaar in elke wereld gebeuren. Alle omstandigheden moeten precies kloppen en de kan,sen zijn te groot dat dit het gevolg is van pure toeval. De fijne evenwichten in de natuurwetten die het leven mogelijk maken wijzen op een welwillende schepper, die zowel u, als mij, als de hele wereld in gedachte had.

Als wetenschapper heb ik geen moeite dat te geloven. Het druist tegen absoluut niets in waarvan ik weet dat het wetenschappelijk is aangetoond.

Mijn geloof als Christen hangt echter niet alleen af van wetenschappelijke bewijzen – maar dat is een heel ander verhaal.

(Tim Hawthorne is Emeritus Professor Biochemie aan de Universiteit van Nottingham, Verenigd Koninkrijk.)

Ontwerp

Alle omstandigheden moeten precies kloppen en de kansen zijn te groot dat dit het gevolg is van pure toeval. De fijne evenwichten in de natuurwetten die het leven mogelijk maken wijzen op een welwillende schepper, die zowel u, als mij, als de hele wereld in gedachte had. Als wetenschapper heb ik geen moeite dat te geloven. Het druist tegen absoluut niets in waarvan ik weet dat het wetenschappelijk is aangetoond. Mijn geloof als Christen hangt echter niet alleen af van wetenschappelijke bewijzen.

Onnodige zorgen 

Er bestaat een oud verhaal van een man die twee zware zakken op zijn rug had. Met moeite kwam hij vooruit met die zware zakken die hij droeg.

Een engel ontmoette die man en vroeg hem wat er in die twee zware zakken zat.

‘Dat zijn mijn zorgen,’ zei de man. ‘Ik heb namelijk twee grote zorgen: zorgen voor de dag van gisteren die voorbij is en zorgen voor de dag van morgen die nog moet komen.’

‘Laat mij die zakken eens zien,’ vroeg de engel. Toen beide zakken geopend waren, bleken ze tot grote verbazing van de man leeg te zijn. Opeens begreep hij dat hij zich onnodig zorgen had gemaakt en dat hij de twee zware zakken helemaal niet hoefde te dragen.

‘Gisteren is voorbij, morgen komt nog, vandaag helpt de Here’. ‘Wees dan niet bezorgd voor morgen…’ ‘Werpt al u bezorgdheid op Hem…’ (1 Petr. 5:7)

Zondvloedcatastrofe

ZondvloedDe waarheid over de “zondvloedcatastrofe”

Tot ongeveer de jaren 1800 was het feit van de zondvloed een algemeen aanvaarde verklaring voor het ontstaan van de bovenste aardlagen en de fossielen die men erin terugvindt. Fossiele resten van planten en dieren heeft men reeds in groot aantal en dikwijls goed bewaard teruggevonden, hetgeen 

duidelijk wijst op een snelle begraving.

Prof.F.Hibben beschrijft hoe o.m. in Alaska a.h.w. massagraven werden aangetroffen vol dierlijke beenderen en resten. (mammoets, mastodon, bizons, paarden wolven, beren en leeuwen….) 

Dergelijke vondsten vindt men trouwens in elk werelddeel.

In het bevroren toendraslijk dat op meerdere plaatsen in Siberië meer dan duizend meter (!) dik is, vindt men veel aanwijzingen van de catastrofale vernietiging van honderdduizenden dieren, ter plekke bevroren en overweldigd door een immense vloed.

Een typisch voorbeeld zijn de vondsten van de mammoets waarvan het (diepgevroren) vlees soms nog zo goed bewaard is dat het perfect eetbaar is.

In hun maag vindt men dikwijls de overblijfselen van grassen en bloemen die wijzen op een zacht klimaat vóór de zondvloed.

Dergelijke drastische en plots klimaatwijziging van subtropisch tot arctisch, is enkel te verklaren door het plotseling neerstorten van de watermantel die zich oorspronkelijk rond de aarde bevond.

Het bestaan van deze watermantel wordt o.m. bevestigd door meerdere wetenschappers o..a. Prof.Joseph C. Dillow – “The waters Above”

Deze watermantel zorgde voor een gelijkvormig zacht klimaat over ganse de aarde.

Een dergelijke watermantel bestaat trouwens nog steeds op de planeet Venus die zonder grote luchtturbulenties zorgt voor een gelijkvormig klimaat van pool tot evenaar.

Geologen weten aan de hand van waarnemingen in de meeste gesteenten, dat ons klimaat vroeger veel warmer is geweest en dit over gans de aarde. 

Zo vindt men steenkoollagen in de ondergrond van de meeste werelddelen. Deze lagen getuigen van een subtropische rijke plantengroei (fossielen). Ook de dierenwereld was veel rijker en weelderiger. (reuzereptielen, dinosauriërs…)

De hoge partiële zuurstofdruk verklaart ook de grote afmetingen van insecten, ongewervelde en gewervelde dieren. Mogelijk is dit ook een verklaring voor de hoge ouderdom van de aartsvaders.

Datum? 

Volgens Dominique Tassot, burgerlijk mijningenieur en auteur van het boek: “A l’Image de Dieu, Préhistoire Transformiste ou Préhistoire Biblique”, volstaan enige kennis van de bevolkingsgroei en enkele berekeningen om te kunnen stellen dat de zondvloed is opgetreden in de 24 ? eeuw vóór Christus.

Ook andere studies over de bevolkingsgroei wijzen naar een totale ouderdom van 5 à 6000 jaar voor de afstamming van de huidige wereldbevolking van één ouderpaar.

Deze statistische schattingen staan in schril contrast met de ouderdommen die door de evolutieleer worden voorgesteld. Deze variëren van 30.000 jaar voor de Homo Sapiens Sapiens – 300.000 jaar voor de Neanderthaler die evengoed reeds zijn doden begroef, kon spreken en werktuigen maakte, en bijna 2.000.000 voor de Homo Erectus.

Indien deze evolutionistische ouderdommen juist zouden zijn, dan zouden er nu evenveel mensen zijn als bacteriën!! En indien al die mensen ooit op aarde zouden hebben geleefd, waar zijn dan hun fossiele overblijfselen?

Conclusie

Deze beknopte samenvatting van de bijzonderste aspecten van evolutie- en scheppingsleer bevat geen antwoord op alle vragen die men zich in verband met dit boeiend onderwerp zou kunnen stellen. Daarvoor verwijzen wij dan ook naar de bronvermelding hierna.

Samengevat kunnen we zeggen dat de evolutietheorie niet meer is dan een hypothese. Zij wordt echter nog steeds opgedrongen als een realiteit zowel in de schoolboeken als in de media, in musea, vakliteratuur enz.

Het werkelijke doel van de evolutietheorie is niet enkel het ontkennen dat er een schepping is geweest maar vooral het bestaan van de Schepper.

_______________________________________________________________

1 “Big bang”: reeds tientallen jaren zitten astronomen hierover met de handen in het haar want bepaalde ontdekkingen hebben aangetoond dat deze theorie niet klopt. 

Astronoom W. Kaufmann formuleerde dit duidelijk als volgt: “Als deze (ontdekkingen) juist zijn, dan stort een van de pijlers van de moderne sterrenkunde en kosmologie in elkaar met een verwarring zonder voorgaande sedert Copernicus.”