Knipperend Oog

houvast-banner-positief

Als er een stofje in je oog zit, probeer je dit eruit te halen.  En je bent opgelucht als dit gebeurd is.

Als een splinter in je vinger steekt, dan haal je die eruit.  Zo rap mogelijk.  Waarom zou je nog een paar dagen wachten en met pijn lopen.  Dat vind je toch te gek.

Als er onkruid tussen je bloemen of groenten opschiet, dan haal je dit eruit.  Radikaal.  Of anders groeit dit sterker op en verstikt het je mooie planten.

Een negatieve gedachte is alles te samen.  Ze begint als een stofje dat je geluk vertroebelt, ze doet aan als een pijnlijke splinter in je gedachteleven en ze wordt echt onkruid, dat je innerlijk leven wil overwoekeren.  Haal dit onkruid eruit ! Radikaal ! Zonder te wachten. Stop ermee zo te denken. Maak een betere keuze door je naar betere dingen te leiden. 

Als de negatieve gedachte er eenmaal uit is, kom je er nooit meer op terug. Je gaat er nooit meer tegen strijden, maar je laat het gerust. Het is van belang dat je er radikaal mee breekt en er nooit op terug komt. Bekijk alles rustig. Waarom zou je je druk maken ? Wat brengen zorgen bij aan het leven ? 

Knipper met je oog en kijk de andere kant op. Oefen je in gezonde, genezende, gelukkig makende gedachten. Pluk de geestelijke vitamines en deel ze uit. Het positieve moet rollen, van hand tot hand gaan,  gedeeld worden… en het vermeerdert, net als de broden in de korven… Hoeveel je ook deelt, op het einde is en blijft de oogst groot. Dus,… kan je blijven geven ? Natuurlijk, want je wordt niet arm van vriendelijk zijn, van blijdschap en geluk. Je geestelijke bankrekening wordt alleen maar groter door het beleven van een goede innerlijke houding. Negatieve gedachten groeien gestadig.  Ze maken je ongelukkig, brengen wrevel en ergernis, zenuwachtigheid en slapeloosheid, verbittering en pessimisme, kommer en zorg.  Ze maken je ziek.  Reken daarom zo spoedig mogelijk met hen af.  Zeg “Stop !”. 

De wereld lijkt als één grote akker, waarop allerlei zaad opgroeit. Het onkruid groeit op, samen met de goede planten… en alles wacht op de oogst. 

positief negatief

Genesis 1

Genesis1

Voor wie het volgde… ben ik ongeveer zes maand geleden begonnen met een schilderproject, in een poging om proberen weer te geven wat de Stem van God – het Woord – bij machte is te doen – de ‘grote daden des Heren’, waarbij de schepping in zes dagen centraal staat. Dat heeft tot op vandaag een 10-tal schilderijen opgeleverd, maar stuit telkens weer op nieuwe moeilijkheden, waardoor ik sommige fragmenten meermaals heb moeten overdoen. Het is erg moeilijk om me te houden aan de ‘stijl’ van de eerste werken, die zeer eenvoudig waren qua concept, terwijl bij de vissen en de vogels – zoals in bovenstaand fragment – het gemakkelijk te gedetailleerd wordt. Dat levert natuurlijk mooie resultaten op, maar ik heb toch besloten een aantal stappen te hernemen in de hoop er grotere uniformiteit in te krijgen. Zoals ik het nu zie zal ik nog gemakkelijk zo’n zes maanden over doen, voor ik met deze serie kan uitpakken. Maar daar hoor je later meer over.

iets anders

Aan allen een gezegende nieuwe week.

Sluit je ogen

groot is uw trouw

advies : “Sluit je ogen voor genezing” – Dat is de raad die Dr. Bernarr Zovluck geeft aan iedereen die ziek is. 

Zeker op deze plaats kan zo een titel verdacht zijn “Sluit je ogen”… en daarop volgt de vele zaken die niet mogen gezien worden. Maar het gaat om genezing. We publiceren dit artikel omdat het mensen kan inspireren om in ziekte te doen wat tot genezing strekt. We hebben van alles meegemaakt: mensen die ziek in bed televisie kijken, de hele dag aan het telefoneren waren, aan het studeren gingen om niet achterop te geraken ondanks ze zich maar met moeite konden concentreren… Iemand van hen zei “maar ik voel me niet ziek”… Wat doe je dan eigenlijk op dat ziekenbed? De waarheid was dat die persoon kanker had en door de vele stimulaties en medicijnen niet voelde hoe hij er werkelijk aan toe was. Ik begrijp het, er zijn zo van die ziekten die ergens in je lichaam plaats vinden, zonder dat je er veel van voelt, en toch zijn die je systeem aan het ondermijnen. Maar het volgende is toch nuttig : NIETS doen voor genezing: niet eten, zoveel mogelijk rusten, niet telefoneren, niet piekeren, je op geen enkele manier vermoeien met zintuiglijke , fysieke of mentale of zelfs vertering-activiteiten. Alleen rusten en op tijd water drinken. 

“Als je ziek bent en je wil beter worden,  sluit je ogen en houd ze zoveel mogelijk gesloten. Het sluiten van je ogen geeft je hersenen en geest rust. Een elektrisch ritme start zo snel de ogen gesloten zijn. Dit ritme dient om de elektrische ladingen van de hersenen te zuiveren. 

Als je ziek bent, ben je grotendeels gedevitaliseerd  en geënerveerd door overactiviteit, overmaat, stimulatie en emotionele overprikkeling. Sluit je ogen om ieder deel van je lichaam volledig  tot rust te laten komen.  Als je ogen gesloten zijn ben je in complete rust. De lichaamsenergie wordt opgefrist, de cellen vernieuwen zich aan een hoger ritme, het weefsel wordt intenser gereinigd, de organen krijgen de kans om hun afvalstoffen uit te zuiveren en worden weer klaargemaakt voor een hernieuwde activiteit. 

Het lichaam ziet genezing als een prioriteit boven andere functies die het ondergeschikt maakt. Met bijkomende slaap en/of tijd waarbij je je ogen gesloten houdt, zal het genezingsproces beter en dieper verlopen. Als je je niet goed in je vel voelt, wegens één of andere aandoening, mag je er zeker van zijn dat hoe meer slaap en rust je kan nemen, terwijl je je ogen gesloten houdt, hoe sneller je zal genezen. Dat is het belangrijkste wat je voor jezelf kunt doen. Alle dieren en babies weten instinctief dat ze hun ogen moeten sluiten om zich beter te voelen.”

“Het gevecht tegen kanker” : een onlogische oorzaak

De voorzitter van het artsencommitee voor verantwoordelijke geneeskunde, Dr. Neal D. Barnard, had in 1994 het volgende te vertellen in het Knight-Rider nieuwsrapport :

“Het winnen van het gevecht tegen kanker betekent dat we ernstig moeten werken aan het voorkomen van de ziekte. Dat betekent dat de alle gouvernementele programma’s die de tabaks- en vleesconsumptie aanmoedigen of bevorderen moeten beëindigd worden. Er moeten striktere limieten komen op de aanwezigheid van toxines. Verder moet aan de bevolking geleerd worden dat onze beste wapens tegen kanker niét onze testtubes en medicijnen zijn, maar onze messen en vorken”

Niet willen zien

Semmelweis reflexNiemand zo blind als diegene die niet wil zien

“Er is niemand zo blind als degene die niet wil zien”. Ze zeggen ook wel: “Er is niemand zo doof als degene die niet wil horen”. Dat is natuurlijk hetzelfde. Het betekent gewoon dat het bijna onmogelijk is om iemand tegen zijn wil in op andere gedachten te brengen, ook al is het nog zo logisch en al is het nog zo waar.

Ik weet niet of je ooit van Semmelweis gehoord hebt, de man die rond 1850 de oorzaak ontdekte van de kraamvrouwenkoorts. Semmelweis kwam dat ook pijnlijk aan de weet, dat er niemand zo blind is als degene die niet wil zien.

Semmelweis was een medicus. Hij was verbonden aan het Weense Algemene Ziekenhuis en werkte daar als verloskundige. Maar het zat hem dwars dat het sterftecijfer in de kraamkliniek waar hij werkte zo hoog was: één op de tien kraamvrouwen stierven er. Ook al was de bevalling in de kraamkliniek nog zo goed verlopen, na vijf dagen stierf ruim één op de tien vrouwen aan kraamvrouwenkoorts, meestal met het kind erbij. En niemand wist wat daarvan de oorzaak was…
Op de afdeling van Semmelweis zag het programma er elke dag hetzelfde uit. Eerst het verplichte onderzoek van de overledenen, samen met zijn studenten in de sectiekamer. Dan snel even de handen wassen, allemaal in hetzelfde water met gebruik van dezelfde handdoek. Dan waren de kraamvrouwen aan de beurt voor inwendig onderzoek. Zo ging Semmelweis dagelijks langs de bedden, gevolgd door zijn studenten. Toen deed hij een ontdekking. Zo nu en dan kwam het voor dat er een vrouw binnen werd gebracht die op weg naar de kliniek al was bevallen. Bij deze vrouwen traden de dodelijke wondkoortsen praktisch nooit op. Maar de moeders die in de kliniek hun kindje ter wereld brachten, waren hun leven niet zeker. En dat was niet alleen in Wenen zo, maar ook in alle andere Europese klinieken waar op dezelfde manier werd gewerkt. Onbegrijpelijk was het.
Op zekere dag overleed een goede collega van hem die zich tijdens een sectie met een ontleedmes in de vingers had gesneden. Toen deed Semmelweis weer een ontdekking: zijn collega vertoonde exact hetzelfde ziektebeeld als de ongelukkige kraamvrouwen met hun babies! Dat zette hem opnieuw aan het denken. Waar kwam het gif vandaan dat de dood van zijn collega had veroorzaakt? Van een lijk dat hij onderzocht. En waar kwam het gif vandaan dat al die kraamvrouwen de dood in joeg? Ook uit die lijkenkamer misschien? Het kon niet anders! Hij keek naar zijn handen en rook eraan: lijkenlucht snoof hij op. Hij was er zo mee vertrouwd. Dat werd beschouwd als normaal, dat hoorde nou eenmaal bij het vak. Maar daardoor brachten die handen wel de dood in plaats van het leven! Toen hem duidelijk geworden was dat de gevreesde ziekte in verband stond met de lijklucht aan zijn handen, begon Semmelweis allerlei wasmiddelen en chemische oplossingen uit te proberen om zijn handen na een sectie zó schoon te krijgen dat daarna ook de lijklucht verdwenen was. Met zand, zeep en soda lukte het niet. Hoe hij ook boende en schuurde, het hielp niets. Loog, spiritus, ammoniak, oplossingen van allerlei zuren: de stank bleef. En die stank was voor hem het bewijs dat het gif nog aan zijn handen zat. Toen kwam de gelukkige greep. Hij nam een fles met een oplossing van chloor en waste na zijn werk in de lijkenkamer zijn handen grondig met de chlooroplossing. Na het wassen voelden zijn handen glibberig aan, maar tot zijn verrassing was de stank verdwenen! Hij had de sleutel gevonden voor de oplossing van het vreselijke probleem van de kraamvrouwenkoorts.

Toen kwam de grote teleurstelling: niemand wilde geloven dat hij het geheim had ontdekt dat een eind kon maken aan het hoge sterftecijfer onder de kraamvrouwen. Zijn collega’s vonden het belachelijk dat het wassen van je handen in een chlooroplossing het antwoord was op het grote internationale geneeskundige vraagstuk van de kraamvrouwenkoorts!

Maar Semmelweis zou het bewijzen. Hij dwong zijn protesterende studenten om hun handen na hun werk in de snijkamer elke keer te wassen met een chlooroplossing. En de resultaten waren verbluffend. Het sterftecijfer daalde in twee maanden van één op de tien naar één op de tachtig! En een jaar later had hij de vreselijke ziekte op zijn afdeling helemaal onder controle en kwam er geen enkel geval meer voor van kraamvrouwenkoorts.

Maar als je mocht denken dat daardoor de hele medische wereld overtuigd werd van de juistheid van zijn ontdekking, dan heb je het mis. Bijna nergens werd zijn ontdekking erkend of toegepast. Wat hij ook deed of schreef, de medische wereld wilde er niets van weten. Het was te simpel. En men gunde hem de eer niet. Tijdens zijn leven is dat ook zo gebleven. Hij werd bestreden of genegeerd en belachelijk gemaakt. Semmelweis heeft dat niet kunnen verwerken. De gedachte dat door de eigenwijsheid van de medici en het vasthouden aan hun eigen gelijk duizenden onschuldige vrouwen en zuigelingen onnodig de dood in werden gejaagd, maakte hem letterlijk gek. Hij stierf op 47-jarige leeftijd in een psychiatrische inrichting…

Het is praktisch onmogelijk om mensen te overtuigen van iets goeds wanneer ze halsstarrig blijven vasthouden aan hun eigen gelijk.
Na de dood van Semmelweis kwam Pasteur met zijn ontdekkingen. Door die ontdekkingen werd Semmelweis in het gelijk gesteld. Maar met Pasteur gebeurde hetzelfde.
We weten dat het Pasteur was die ontdekte dat je etenswaren kunt bewaren door ze te pasteuriseren of te steriliseren. Hij kwam er achter dat er geen leven kan ontstaan uit levenloze materie. Wanneer je er voor zorgt dat je door verhitting alle leven wegneemt uit een hermetisch afgesloten ruimte met plantaardige of dierlijke producten, dan kun je er zeker van zijn dat er daarna ook nooit meer iets in tot leven komt.

Dat is het principe van het inblikken en inmaken. Maar net voordat Pasteur tot die ontdekking kwam, waren een aantal wetenschappers op het lumineuze idee gekomen dat het leven juist wèl vanzelf ontstaan was uit levenloze materie! Iedereen vond dat een prachtige gedachte, want daardoor was het geloof in een Schepper helemaal overbodig!

Maar wanneer je nu denkt dat de ontdekking van Pasteur daar toen eens en voor altijd een eind aan maakte en dat iedereen zou inzien dat levenloze materie nooit spontaan tot leven kon komen, dan heb je het mis! Net als bij Semmelweis zijn het vooral de wetenschappers die tot op vandaag nog halsstarrig vasthouden aan hun onbewezen ideeën op dat punt. En het publiek slikt het nog steeds als zoete koek. Terwijl het tegendeel al meer dan honderd jaar geleden bewezen is!

Al het leven om je heen, roept ons toe dat er een Schepper moet zijn die dat allemaal ontworpen en geschapen heeft. Bovendien kun je dat zelf ervaren.

Geloof en voorziening

Een Hongaarse predikantsvrouw in Roemenië, wier man om zijn geloof gevangen zat, werd in de jaren zestig met zeven van haar kinderen verbannen. Ze werd geplaatst in een onmogelijk, smerig, koud, modderig dorpje. Ze had geen werk, geen inkomen, vaak geen voedsel. Ze was straatarm.

Op een moment was het eten helemaal op. De laatste kruimel was opgegeten. Er was niets meer. Na een dag of drie begonnen ze allemaal serieuze honger te krijgen.
De vrouw vertelde haar kinderen bijbelse verhalen om ze af te leiden van

hun hongergevoel. Zo kwam ze bij het verhaal van Elia, die naar een grot bij de beek Krith vluchtte en daar door de raven werd gevoed (1 kon.17:6) .

Terwijl buiten zware sneeuwstormen woedden, werd er plotseling op het raam van de hut geklopt. Ze beefde van schrik en bij het spaarzame licht van de petroleumlamp opende ze angstig het raam. Omdat de deur gebarricadeerd was konden ze er niet in of uit. Door de spleet van het raam, tussen de binnen gewaaide sneeuwkristallen, kwam een hand naar binnen. In de ruwe hand lag een vers brood. Tot twee keer toe herhaalde zich dat. De ‘raaf’zei geen woord, hij stelde zich niet voor en ze kregen hem niet te zien. Hij bleef in het donker verborgen.

Een paar maanden later, toen er weer honger in het hutje werd geleden, werd er opnieuw aangeklopt. Ze deden open en zagen een wolfshond voor de deur staan, met fonkelende ogen. Het dier hield voorzichtig een brood in zijn bek. Ze wisten niet of ze bang moesten zijn of moesten lachen. Wolfshonden waren in het algemeen geen best teken. Ze keken uit naar de bewaker die bij de wolfshond hoorde, maar zagen niemand.

Uit: Engelen onder ons

Zaken van groot belang

De Bijbel die geveild werd.

In de buurt van Wuppertal-Elberfeld(Duitsland) ligt Wiltzhelden.
In 1817 trouwde daar de schoenmaker Arnold Breidenbach zijn verloofde Frederike.

Tot die tijd had hij in de schoenmakerij van het leger in Keulen gewerkt en het prachtige bedrag van 200 zilveren daalders kunnen sparen.

Met dit geld kon het jonge paar een vervallen huisje met wat grond kopen. Ze vestigden zich hier en hier begon Arnold zijn bedrijfje.

Er heerste in die streek grote armoede. Het land had erg onder het geweld van de Fransen geleden.
Na hen waren nog eens de Russen

plunderend rondgetrokken en … twee misoogsten volgden.
De Breidenbachs hadden het ook arm.

Arnold was godvrezend. Hij maakte van zijn geloof geen geheim.
In het café of op de dansvloer zag men hem niet. Grappenmakers had hij niet in zijn gezelschap.

Het is niet te verwonderen dat men hem op het dorp al gauw de naam “de vrome Breidenbach” gaf.
Als hij klaar was met zijn werk, zat hij meestal in zijn Bijbel te lezen. De mensen in Witzhelden glimlachten wat over het leven van hun schoenmaker.

Wel lieten ze graag door hem hun schoenen repareren of nieuwe schoenen maken, want hij was een vakman.

Hij verdiende een 8 groschen per dag en daar had hij genoeg aan.
Ja, hij kon zelfs nog iets opzij leggen voor de spaarkous.
Vrouw Breidenbach was het met haar man eens. Ook zij vreesde God maar zij kende de Here Jezus nog niet persoonlijk. Zover als haar man was zij nog niet.
We zijn een paar jaar verder.
Er waren kinderen geboren.
Het oudste kind sliep bij de ouders in bed.
Er was slechts één bed.
Het tweede kind lag nog in de wieg, maar het hoofdje en de voetjes raak- ten de uiteinden van het wiegje. Moeder verwachtte haar derde. Hoor! Wat wordt daar omgeroepen? Wat schreeuwt de dorpsomroeper? Dat in de herberg een boeldag gehouden zal worden. Meubelen, huisraad en nog meer zullen bij opbod verkocht worden. Vrouw Breidenbach tot haar man: “Arnold! Dit is een mooie gelegen- heid. Ga eens een bed kopen. We hebben nu 17 daalders gespaard. Dat zal toch wel genoeg zijn.”
Zwijgend luisterde de schoenmaker naar zijn vrouw. Hij was geen man van veel woorden. Maar op de dag van de verkoop, legde hij het werk neer, trok zijn blauwe kiel aan, nam het gespaarde geld en trok naar de herberg.
Daar staken de mensen de hoofden bij elkaar. Wie kwam daar binnen? Breidenbach? Hij was daar toch nog nooit geweest! Maar nu dan toch maar voor het eerst!

“Nu, meester, wat wilt u nu hier doen?”-

“Ik heb een bed nodig.”
“O, er zijn bedden genoeg hier!”De verkoop begon.

Men kletste wat, maakte lawaai en dronk.
Het eerste wat te koop aangeboden werd was… een Bijbel. Een heel groot en oud exemplaar.
Wel 120 jaar oud en wel 41 cm x 25cm; gewicht: 7 kg. Geen gewone Bijbel, maar één met verklaringen. De meeste aanwezigen waren al door de alcohol in de greep genomen. Ze begonnen te spotten en grappen te maken toen de Bijbel te koop geboden werd.
Er werden verzen uit de Bijbel aangehaald en er werd om gelachen. Een koopman bood al 15 groschen. Hij had inpakpapier nodig. Het hart van Breidenbach trok samen.
Hier werd met dát boek gespot waar hij zoveel van hield!
Hij bood een daalder.
De Bijbel mocht niet voor inpakpapier gebruikt worden!
“Wie heeft er een daalder geboden?” – “De vrome Breidenbach!” “Opdrijven”, schreeuwden de mensen.
Onder gespot en gelach bood nu iederéén, dan weer een ander en ze maakten maar grapjes.
Arnold Breidenbach bood ook nog. Hij dacht niet meer aan het bed.
Hij wilde maar één ding:
De Bijbel redden uit de handen van die woeste spotters.
Maar… de prijs was al opgelopen tot 16_ 1/2 daalder.
Breidenbach bood nog eens: 17 daalder.
Daar klonk: “Eenmaal, andermaal, de derde maal!”
En een klap volgde.
De Bijbel was toegewezen aan Arnold en nu moest hij zijn 17 daalders betalen.
Stil pakte hij de Bijbel op en ging naar huis.
Thuisgekomen was natuurlijk de eerste vraag van zijn vrouw: “Maar wat heb jij daar toch?”
– “Een Bijbel.”
“En waar is het bed?”
– “Ik heb geen bed.”
“Waarom niet?”
– “Door die Bijbel.”
“Wat kostte die Bijbel?”
– “Zeventien daalders.”

Nu barstte een stortvloed van scheldwoorden los!
Arnold trok zijn blauwe kiel uit, deed zijn schort weer voor en ging aan het werk. Op de verwijten en argumenten van zijn vrouw kon hij slechts antwoorden: “Ik kon het niet langer verdragen dat er zo over het Boek gespot werd.”

Toen Arnold die avond uit de Bijbel wilde voorlezen, liep zijn vrouw de kamer uit.
Die dag leek de zegen uit de woning te zijn verdwenen.

De volgende dag kwam heel vroeg een molenaar uit de buurt in zijn werkplaats.
Arnold vroeg hem: “Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

De molenaar krabbelde zich verlegen op het hoofd. “De zaak zit zo. Ik kom wegens de Bijbel en het bed.
Toen ik mijn vrouw gisteren het verhaal helemaal verteld had, heeft zij mij niet zo zuinig de les gelezen:”Jullie mannen moeten altijd spotten als je gedronken hebt.”

Die hele avond heeft ze me niet met rust gelaten en de hele nacht heeft ze, naar ze zei, niet geslapen.
Ik moest opstaan en met de knecht een bed uit het kamertje halen.

Dat bed werd niet meer gebuikt.
Ze heeft vers stro fijn gesneden en een nieuwe beddezak opgevuld. “Alsjeblieft”, zei ze vriendelijk, “neem dat bed en ga, anders krijg ik geen rust.”
Arnold heeft intussen zijn vrouw geroepen.
Ze keken beiden en vrouw Breidenbach ging gauw naar binnen en deed als Petrus. Ze… huilde! – Het bed werd van de wagen genomen en in de kamer gezet.

Die avond las Arnold zijn vrouw voor uit Psalm 37: “En 
verlustig 
u 
in
 de 
Here,
 zo
 zal
 Hij
 u
 geven
 naar 
de 
begeerten 
uws harten.
 Wentel
 uw
 weg
 op de 
Here, en
 vertrouw 
op Hem.
 Hij
 zal
 het
 maken…”

Het beste moet nog komen

Beste nog komtSommigen zullen zeker het liedje kennen “Is that all there is?” (is dat alles wat er is?) Het liedje gaat verder met de boodschap “laten we er dan van genieten”…

Genieten is natuurlijk een rekbaar woord en het is geen verbod om van het leven te genieten. Eigenlijk heeft God zijn uiterste best gedaan om een omgeving te scheppen die uiterst genietbaar en goed is. Maar houdt het op aan de grenzen van ons aardse leven, of overschrijdt het die grens? De Bijbel geeft ons dat perspectief. De grens van het leven was niet bepaald. Leven had alles in zich om eeuwig door te gaan… De dood is een vijand en Christus heeft hem overwonnen.

Laat me dit even illustreren met het verhaal van een vrouw die te horen kreeg dat zij een dodelijke ziekte had en nog maar drie maanden te leven had. Toen de predikant haar bezocht om de begrafenis met haar door te spreken, had zij een ongewoon verzoek. Zij wilde begraven worden met een vork in haar hand. “Waarom” vroeg hij. En zij vertelde: “In de jaren dat ik de potlucks van de kerk bezocht, herinner ik mij dat wanneer de borden van het hoofdgerecht werden afgeruimd er altijd iemand zei: houd je vork gereed! Dan kwam mijn favoriete onderdeel van de maaltijd, het lekkerste en het beste. Ik wil dat de mensen mij in mijn kist zien liggen met een vork in mijn hand en zich afvragen: Wat doet die vork daar? Vertel ze dan: Houd je vork gereed, het beste komt nog.” Door de zonde, de pijn en het lijden dat ons overal omringt, wordt God vaak volkomen verkeerd gezien.

De Bijbel zegt:  “Want wij zien nu door een spiegel, in raadselen” (1 Korintiërs 13:12).

Maar op die grote dag zullen wij onze Vader van aangezicht tot aangezicht zien.

En niet alleen dat, wij zullen Hem ook zien in zijn volledige heerlijkheid. En niet alleen Jezus zal in heerlijkheid verschijnen, maar ook al zijn volgelingen.

“Wanneer Christus verschijnt, Die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heer- lijkheid” (Kolossenzen 3:4). Wat een geweldige dag zal dat voor iedereen zijn.

De belangrijkste opdracht van de eerste komst van Jezus was het ware karakter te onthullen van God als een God van liefde. Dat is de essentie van de grote strijd tussen God en satan. “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (1 Johannes 3:8).

De wederkomst zal een laatste en volledige rechtvaardiging zijn van Gods karakter voor het gehele universum. De Bijbel omschrijft dit als volgt: “Hierna hoorde ik als een luide stem van een grote schare in de hemel zeggen: “Halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf, en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist.“ – (Openbaring 19:1,2).

In één opzicht was het Koninkrijk der hemelen gekomen bij Jezusʼeerste komst. Maar het zal niet in al zijn volheid worden gevestigd tot aan zijn tweede komst en de vernietiging van de zonde. De wereld om ons heen zal worden veranderd: “Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich neerleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; de koe en de berin zulle samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen neerleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; …”

Geloof

Er was een atheïstisch koppel dat een kind had. Het koppel vertelde hun dochter nooit iets over God. Op een nacht, toen het kleine meisje 5 jaar oud was, vochten de ouders met elkaar en de vader schoot de moeder dood, voor het aangezicht van het kind. Dan schoot de vader zichzelf dood. Het meisje zag alles. Ze werd naar een kindertehuis gebracht.

De pleegmoeder was een christen en nam het kind mee naar de kerk.
Op de eerste dag van Bijbelschool, vertelde de pleegmoeder aan de leraar, dat het meisje nog nooit van Jezus gehoord had, en dat hij geduld met haar moest hebben.

De leraar liet een afbeelding van Jezus zien, “Is er iemand die weet wie dit is?
Het kleine meisje zei, “Ik ken hem, dat is de man die mij de nacht dat mijn ouders stierven vasthield.”

Zomerzicht

Ruggerustend tegen ’t gras de lucht een glazen bol

wind wiegt ’t bloeiend gewas een zon van zomer vol

het diep oneindig hemelsblauw

doet knipperend ogen luiken -‘k knijp een spleetje, kijk door ’t nauw

naar traag slepende witte wolken buiken.

Elfrida Vanhove

Tot in het graf

tewin-grimston-grave-spencer-bros largeDe Boom in Lady Ann’s Graf

In het Tewin kerkhof, op korte afstand van King’s Cross Station in Engeland, staat een grote vier-stammige boom die uit een graf groeit. Zijn aanwezigheid daar heeft veel speculatie veroorzaakt onder de inwoners van de buurt. Het graf van waaruit de boom groeit, is van Lady Anne Grimston.

Is de boom een monument van het ongeloof van een vrouw, of groeide hij daar louter bij toeval? Niemand weet het.

Lady Anne Grimston geloofde niet in leven na de dood. Toen zij op sterven lag in haar paleiselijke huis, zie ze tegen een vriend, “Ik zal net zo zeker opnieuw leven als dat er een boom uit mijn lichaam zal groeien.”

Ze werd begraven in een marmeren graf. Het graf was gemarkeerd door een marmeren deksteen om te verhinderen dat er iets met haar overblijfselen zou gebeuren, omringd door een ijzeren reling. Jaren later werd ontdekt dat de marmeren deksteen een beetje verplaatst was. Toen kwam er een barst in, en door de kier groeide een klein boompje.

De boom bleef doorgroeien, kantelde de steen en brak het gemetselde marmer totdat het het graf omringd heeft met haar wortels, en de reling uit de grond heeft gerukt met zijn massieve stronken. De boom in Lady Anne Grimston’s graf is een van de grootste in Engeland.

Was het toeval dat de boom daar deed groeien? Misschien nam de Almachtige haar uitdaging aan ?

Het met Slangen Gevulde Graf

Gerald B. Winrod, voormalig uitgever van het Amerikaanse Tijdschrift, “The Defender”, vermeldt een verhaal over een atheïst die erg vrijmoedig, blatant en uitgesproken was geweest tegen God en de Bijbel. Hij had God uitgedaagd door te zeggen, “Als er een God is, zal mijn graf door slangen gevuld worden.” Tijdens de begrafenis was het noodzakelijk om een slang van het graf te verwijderen voor de doodskist omlaag gelaten kon worden, terwijl de hovenier zei dat dat hij vier grote slangen gedood had op een keer, maar nog nooit een slang in een enkel ander graf gezien had.

Mr. Winrod’s informant zei dat hij in Ohio zou vragen om hem meer details te verstrekken, en in de loop van tijd ontving hij verdere informatie, samen met een foto van het bronzen monument van de atheïst, Chester Beddell, die gestorven was in 1908 op 82 jaar. De brief zei, “Mr. Beddell zei terwijl hij nog leefde dat er geen God was, en hij nooit in een geloofd had. Hij aarzelde niet om over deze dingen te spreken… Hij bouwde het monument jaren vóór zijn dood. Zijn standbeeld is gemaakt van brons, en in zijn opgeheven rechterhand is er een rol met deze inscriptie, “Universal Mental Liberty.” Onder zijn linker voet is een rol die de Bijbel voorstelt, met de inscriptie, “Bijgeloof.” Voor zijn dood maakte hij de volgende opmerking: “Als er een God is, of enige waarheid in de Bijbel, laat mijn lichaam met slangen gevuld zijn.” Sinds zijn begrafenis is het familiegraf vol met slangenholen geweest rond de grafranden. Slangen kunnen elke dag gezien worden als je het kerkhof bezoekt. Verleden jaar gingen 20 van ons op 30 Oktober, en zagen drie slangen. Buren zeggen dat hoe meer ze er doden, hoe meer er schijnen te zijn. Later kreeg Mr. Winrod de kans om zijn eigen observaties te maken. Toen hij in een conference in Youngstown betrokken was, werd hij met een auto naar North Benton gebracht. Hij vroeg een oudere man of hij hem kon vertellen waar het Beddell graf was. “Natuurlijk, iedereen die hier woont weet waar Chet Beddell begraven werd,” zei de oude man. “Je kan het niet missen–een groot monument in het kerkhof. Je zoekt zeker naar slangen?”

Later, zei een andere man, “Nou, als Beddell om slangen gevraagd heeft, heeft hij ze zeker gekregen!” Hij en zijn vrienden kwamen naar de plaats in kwestie waar ze het monument zagen, de opgeheven rol, de andere rol onder zijn voet, het strenge bronzen gelaat. Ze kwamen dichter bij het graf, met een camera in de hand. Was het een grap, of was het waar? Een van zijn metgezellen was de eerste die een slang zag. “Kijk daar,” schreeuwde hij. Ja! Daar was hij. Ze liepen om het graf heen en telden zes slangen. Zijn metgezel doodde er een. Hij fotografeerde er een. Ze namen ook andere fotos. De grafbewaarder vertelde hen dat hij er die morgen vier gedood had – hij had tot 20 slangen op een dag gedood. Uiteindelijk zei hij, “Ik weet niet zeker, maar misschien had de Heer er toch iets mee te maken.”

–E. Matheson in Gathered Gems. Psa.14:1; 53:1

De thuiskomst van Charles Coughlin

Prince Edward Island, in de Golf van St. Lawrence, maakte verslag van het vreemde nieuws van Charles Coughlin’s thuiskomst. Hij was oorspronkelijk van het eiland waar hij in 1895 begon te reizen en een paar jaar later terecht kwam in Galveston, Texas. Hij stierf daar en werd daar begraven. Op 8 September, 1901, veegde een verschrikkelijke West Indische orkaan door de Golf van Mexico heen, en veroorzaakte die historische ramp van het Zuidwesten die bekend staat als de Galveston overstroming. De wind blies met de verschrikkelijke snelheid van 135 mijl per uur, en het woedende water rolde over de stad. De wervelende stroming had het kerkhof volkomen uitgewassen, waar Charles Coughlin begraven was. Het water veegde de aarde weg alsmede de doodskisten, die de Golf in dreven. Vier en dertig jaar later, in 1935, kwam een drijvende doodskist aan bij de kust van Prins Edward Eiland. Na een onderzoek, vond men een naamplaatje met Charles Coughlin er op, dezelfde man die zijn Prince Edward Eiland tehuis zo veel jaren tevoren verlaten had. De wind en de golfstroom hadden de doodskist van de Golf van Mexico bij Galveston duizenden mijlen—helemaal rondom Florida heen de Atlantische Oceaan in en langs de kust tot de Golf van de St.Lawrence rivier.

Een ongebruikelijke manier voor een plaatselijke jongen om thuis te komen.